ECLI:NL:GHAMS:2020:1113

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
23-000956-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 lid 1 WVW 1994Art. 79 Wet Personenvervoer 2000Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor taxivervoer zonder correcte boordcomputer

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het ten laste gelegde feit dat hij op 9 augustus 2018 in Amsterdam taxivervoer verrichtte zonder dat de gebruikte taxi was uitgerust met een op correcte wijze functionerende boordcomputer. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen deze vrijspraak.

Tijdens het hoger beroep stelde de verdediging dat de taxi was uitgerust met een tachograaf die de verplaatsingen registreerde, ook zonder inloggen van de bestuurder. Het hof stelde echter vast dat het systeem Boordcomputer Taxi (BCT) vereist dat de bestuurder inlogt met een chauffeurskaart en pincode om de verplaatsingen te koppelen aan de bestuurder of het taxibedrijf. De verdachte had het inloggedeelte niet bij zich tijdens de staandehouding, waardoor de boordcomputer niet correct functioneerde.

Het hof oordeelde dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en verklaarde hem strafbaar. Gelet op de ernst van de overtreding en de beperkte financiële draagkracht van de verdachte legde het hof een geldboete van € 1.800,- op, waarvan € 1.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De boete mag in vier tweemaandelijkse termijnen van € 200,- worden voldaan.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door de verdachte te veroordelen. Tevens werd een eerder opgelegde strafbeschikking vernietigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete van €1.800,- wegens taxivervoer zonder correcte boordcomputer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000956-19
datum uitspraak: 17 januari 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 96-239854-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 9 augustus 2018, te Amsterdam, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Tesselschadestraat, als vervoerder die taxivervoer heeft verricht, of heeft doen verrichten, met een auto waarmee taxivervoer werd verricht, terwijl hij er geen zorg voor had gedragen dat in de auto een op correcte wijze functionerende boordcomputer aanwezig was en/of voor die boordcomputer een typegoedkeuring was verleend, als bedoeld in artikel 22 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – komt tot een veroordeling van de verdachte.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de taxi waarin de verdachte reed was uitgerust met een tachograaf, die – ook zonder dat de verdachte inlogde met het scherm dat hij ten tijde van zijn staandehouding niet bij zich had – de verplaatsingen van de taxi bijhield.
Op grond van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2019 stelt het hof vast dat door het inloggen in het systeem Boordcomputer Taxi (BCT) de identiteit van een taxionderneming of de bestuurder van een taxi wordt gekoppeld aan de door het ingebouwde GPS-trackingsyteem bijgehouden verplaatsingen van de taxi. In het voornoemde proces-verbaal wordt uiteengezet dat het inloggen met een chauffeurskaart en pincode heeft te gelden als een digitale handtekening. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het gedeelte van het systeem waarmee kon worden ingelogd, niet bij zich had toen hij werd staande gehouden. Aldus werden de verplaatsingen van de taxi waarin de verdachte reed wellicht bijgehouden, maar niet gekoppeld aan de verdachte of zijn taxibedrijf. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de verdachte op de ten laste gelegde datum als vervoerder taxivervoer heeft verricht terwijl hij er geen zorg voor had gedragen dat in de taxi waarmee het taxivervoer werd verricht een op correcte wijze functionerende boordcomputer aanwezig was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 9 augustus 2018, te Amsterdam, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Tesselschadestraat, als vervoerder taxivervoer heeft verricht, met een auto waarmee taxivervoer werd verricht, terwijl hij er geen zorg voor had gedragen dat in de auto een op correcte wijze functionerende boordcomputer aanwezig was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 79 van Pro de Wet Personenvervoer 2000.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.800,00 waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in een taxi gereden zonder dat daarin een op juiste wijze functionerende boordcomputer aanwezig was. Daarmee heeft de verdachte regelgeving overtreden die onder meer beoogt de consument te beschermen door controle op de naleving van de voorgeschreven rij- en rusttijden mogelijk te maken. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk en rechtvaardigt oplegging van een geldboete. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel gebleken dat de verdachte beperkte financiële draagkracht heeft. In verband daarmee zal het hof de verdachte toestaan de op te leggen geldboete in termijnen te betalen. Een gedeelte van de boete zal het hof opleggen in voorwaardelijke vorm, om de verdachte een extra prikkel te geven de regelgeving op het gebied van taxivervoer in de toekomst wel na te leven.
Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 79 en 118 van het Besluit personenvervoer 2000, artikel 79 van Pro de Wet Personenvervoer 2000 en de artikel 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking onder CJIB-nummer 1132542003366347.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.800,00 (duizend achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
28 (achtentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de
geldboetemag worden voldaan in
4 (vier) tweemaandelijkse termijnen, elke termijn groot
€ 200,00 (tweehonderd euro).
Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. J.D.L. Nuis en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Rijn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 januari 2020.
Mr. P.C. Verloop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]