Het gerechtshof Amsterdam heeft op 24 maart 2020 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016 vernietigd in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was eerder veroordeeld voor meermalen plegen van (poging tot) oplichting en diefstal met valse sleutels.
In hoger beroep heeft het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel herzien en vastgesteld op €14.805,13, waarbij bepaalde bedragen zijn geschrapt of gehalveerd vanwege vrijspraak of medeplegen. De vorderingen van benadeelde partijen zijn niet in mindering gebracht omdat deze nog niet zijn voldaan.
De verdediging had een vermindering van €5.000 gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het hof oordeelde dat de overschrijding in hoger beroep werd gecompenseerd door de voortvarende behandeling in eerste aanleg en dat reeds strafvermindering was toegepast.
Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de Staat en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 296 dagen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.