ECLI:NL:GHAMS:2020:1299
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling kinder- en partneralimentatie na echtscheiding met geschil over draagkracht en behoefte
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep betreffende de vaststelling van kinder- en partneralimentatie tussen partijen na hun echtscheiding. Het hof bevestigde eerdere beslissingen over de verblijfplaats en zorgregeling van de minderjarige zoon, maar stelde de alimentatiebedragen opnieuw vast.
De kinderalimentatie werd vastgesteld op €713 per maand, gebaseerd op een zorgkorting van 25% vanwege de zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week. Het hof berekende de behoefte van de minderjarige op €974 per maand en hield rekening met de draagkracht van beide ouders, waarbij de man een draagkracht van €1.392,- en de vrouw een minimale draagkracht van €25,- werd toegekend.
De partneralimentatie werd bekrachtigd op het niveau van de rechtbank, waarbij het hof oordeelde dat de vrouw momenteel niet in staat is haar verdiencapaciteit te benutten vanwege de intensieve zorg voor de minderjarige en de gevolgen van een ernstige aanslag op haar leven. De man voerde aan dat de lotsverbondenheid was beëindigd door wangedrag van de vrouw, maar het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de alimentatieverplichting niet afhankelijk is van de lotsverbondenheid.
De beschikking werd vernietigd voor zover het de kinderalimentatie betrof en opnieuw vastgesteld, terwijl de partneralimentatie werd bekrachtigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kinderalimentatie is vastgesteld op €713 per maand en de partneralimentatie is bekrachtigd zoals door de rechtbank bepaald.