ECLI:NL:GHAMS:2020:1368

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
27 mei 2020
Zaaknummer
200.259.972/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-stellen van zekerheid in hoger beroep

Het Gerechtshof Amsterdam heeft in het hoger beroep van appellant tegen geïntimeerde geoordeeld dat appellant niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat hij niet tijdig de door het hof opgelegde zekerheid voor proceskosten heeft gesteld. Het hof had appellant bij een tussenarrest opgedragen uiterlijk 24 maart 2020 een bedrag van € 2.929,- te storten als zekerheid.

Appellant heeft verzocht om verlenging van de termijn vanwege de coronacrisis en internationale sancties tegen Iran, waardoor hij niet kon reizen of geld overmaken. Het hof achtte dit verzoek onvoldoende onderbouwd omdat appellant niet concreet had toegelicht welke pogingen hij had ondernomen om de zekerheid te stellen, noch aangegeven hoe lang hij uitstel wenste of welke stappen hij zou ondernemen.

Daarom werd appellant niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en het incident. Het hof verwees de zaak naar de rol voor een memorie van grieven van geïntimeerde in het incidenteel appel. Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer en op 12 mei 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.259.972/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5127542 CV EXPL 16-17659
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2020
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] (Iran),
appellant,
advocaat: mr. N.J.F. Snoek te Amstelveen,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.E. van Zijll te Amsterdam.
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 25 februari 2020 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen. Bij dat arrest heeft het hof [appellant] bevolen uiterlijk op 24 maart 2020 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 2.929,- ter zake van de proceskosten waarin hij in principaal hoger beroep jegens [geïntimeerde] veroordeeld zou kunnen worden, zulks door storting van voormeld bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerde] .
Ter rolle van 31 maart 2020 heeft [geïntimeerde] zich door het indienen van een H16-formulier uitgelaten over de zekerheidstelling. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] geen zekerheid gesteld. [geïntimeerde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in de hoofdzaak, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incident en de hoofdzaak.
Bij H16-formulier van 3 april 2020 met bijlage heeft [appellant] het hof verzocht om verlenging van de termijn voor het stellen van zekerheid.

2.Beoordeling

2.1
In het hiervoor genoemde tussenarrest heeft het hof bepaald dat [appellant] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien hij niet tijdig, te weten uiterlijk op 24 maart 2020, de bevolen zekerheid zal hebben gesteld.
2.2
De advocaat van [geïntimeerde] heeft het hof bij het hiervoor genoemde H16-formulier van 31 maart 2020 - dat ook aan de advocaat van [appellant] is gezonden - meegedeeld dat [appellant] niet tijdig zekerheid heeft gesteld.
2.3
De advocaat van [appellant] heeft het hof bij genoemd H16-formulier van 3 april 2020 met aangehechte productie, van welk formulier een afschrift aan de advocaat van [geïntimeerde] is gezonden, verzocht om verlenging van de termijn voor het stellen van zekerheid c.q. om een nieuwe termijn, op grond van diverse omstandigheden aan de zijde van [appellant] . Hierin ligt besloten dat [appellant] erkent dat hij niet tijdig de bevolen zekerheid heeft gesteld. Het bijgevoegde e-mailbericht van [appellant] van 2 april 2020, gericht aan zijn advocaat, houdt in, voor zover van belang:
“Could you please write a letter to the court describing my current situation in Iran, where I can’t travel abroad because of Corona virus and even transfer money as of sanctions against Iran. Please ask the court for some time to sort the problem out (…).”
2.4
Het hof zal [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep omdat hij geen zekerheid heeft gesteld. Het hof wil op zichzelf wel aannemen dat het voor [appellant] in de huidige tijd als gevolg van de corona-crisis en de internationale sancties tegen Iran moeilijk zal zijn om de van hem verlangde zekerheid te stellen. Echter, van [appellant] had, gelet op het bij het tussenarrest gegeven rechterlijk bevel, verwacht mogen worden dat hij niet zou hebben volstaan met de zojuist geciteerde, niet nader toegelichte en pas na het verlopen van de door het hof gestelde datum aan zijn advocaat verzonden e-mail, maar dat hij (zoveel mogelijk met bescheiden onderbouwd) zou hebben vermeld welke concrete pogingen hij heeft gedaan om voormelde zekerheid te stellen en waarom dit mislukt is, alsmede, dat hij zou hebben laten weten hoe lang hij uitstel wenste en wat hij concreet zou ondernemen om alsnog die zekerheid te kunnen stellen. Dit alles heeft [appellant] echter niet gedaan. Om die reden acht het hof door [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij thans als gevolg van niet aan zijn schuld te wijten en/of niet voor zijn risico komende omstandigheden niet in staat is de verlangde zekerheid te stellen. Voor verlenging van de termijn voor het stellen van zekerheid ziet het hof, gezien het voorgaande, geen aanleiding.
2.5
De kosten van het (principaal) hoger beroep, waaronder de kosten van het incident, komen voor rekening van [appellant] . Deze bedragen € 324,- aan verschotten in het (principaal) hoger beroep en € 759,- aan salaris advocaat in het incident.
2.6
Aangezien, zoals in overweging 2.5 van het tussenarrest is overwogen, [geïntimeerde] heeft aangekondigd incidenteel appel te zullen instellen, zal het hof de zaak naar de rol verwijzen voor een memorie van grieven in dat appel.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,- aan verschotten en € 759,- aan salaris advocaat en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2020 voor een memorie van grieven van [geïntimeerde] in incidenteel appel.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.