Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.3. Beoordeling
Kortgezegd komt het er op neer, dat we moeten aannemen dat er een ligplaatsvergunning is verleend, die we niet kunnen terugvinden.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om de vraag of Havenbedrijf Amsterdam misbruik van recht maakte door de huurovereenkomst voor een waterperceel met een kantoorark na 30 juni 2020 niet te verlengen. [X] huurde het waterperceel en voerde aan dat zij recht had op voortzetting vanwege publiekrechtelijke vergunningen en overgangsrecht.
Het hof stelde vast dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd was en rechtsgeldig eindigde op 30 juni 2020. [X] kon geen geldige ligplaatsvergunning overleggen, terwijl Havenbedrijf stelde dat zij verantwoordelijk was voor het verkrijgen daarvan. Het hof verwierp het betoog dat de weigering tot voortzetting een onaanvaardbare doorkruising van publiekrechtelijke regels zou zijn.
Daarnaast oordeelde het hof dat Havenbedrijf als privaatrechtelijke verhuurder vrij is in de bestemming van het waterperceel, mits binnen de grenzen van redelijkheid en artikel 3:13 BW Pro. De belangen van Havenbedrijf bij watergebonden activiteiten en het tekort aan wachtplaatsen voor binnenvaart wogen zwaarder dan het belang van [X].
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [X] in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de huurovereenkomst niet wordt voortgezet en veroordeelt [X] in de kosten.