In deze zaak stond de opheffing van conservatoire beslagen centraal die Inmoves B.V. had gelegd ten laste van [X] wegens een huurvordering. In eerste aanleg wees de voorzieningenrechter de vordering tot opheffing af, waarbij werd geoordeeld dat niet summierlijk was gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Inmoves.
In hoger beroep bracht [X] het inmiddels gewezen eindvonnis in de bodemprocedure in, waarin de vordering van Inmoves deels was afgewezen en een verrekening was toegepast. Het hof overwoog dat het eindvonnis, hoewel nog niet onherroepelijk, een belangrijke rol speelt in de belangenafweging. Daarbij werd ook meegewogen dat Inmoves mogelijk hoger beroep tegen het eindvonnis zal instellen en dat de vordering van Inmoves deels standhoudt.
Het hof concludeerde dat het belang van Inmoves bij handhaving van de beslagen niet opweegt tegen het belang van [X] bij opheffing ervan. Daarom werden de beslagen opgeheven, met een gebod aan Inmoves om binnen een week de beslagen te doorhalen en een verbod om nieuwe beslagen te leggen uit hetzelfde feitencomplex. De kosten van het hoger beroep werden aan Inmoves opgelegd.