ECLI:NL:GHAMS:2020:2190
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis woninghuur
In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter waarin zijn huurovereenkomst is ontbonden en hij is veroordeeld tot ontruiming van de woning. Appellant vorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis totdat het hoger beroep is beslist. Het hof overweegt dat het bestreden vonnis, behalve de proceskostenveroordeling, geen veroordeling bevat die ten uitvoer kan worden gelegd ten laste van de geïntimeerde en dat appellant geen belang heeft bij de gevorderde schorsing.
De voorzieningenrechter had reeds bepaald dat de ontruiming niet mocht plaatsvinden tot drie maanden na het vonnis, mits appellant de huur tijdig betaalde. Appellant is sinds 2019 gedetineerd en zijn broer verblijft in de woning. Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord door geïntimeerde.
De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. Het arrest is gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.