Appellante stelde in hoger beroep dat de huwelijkse voorwaarden uit 1999 niet van toepassing zijn op het huwelijk dat zij in 2010 met erflater is aangegaan, omdat zij destijds waren afgezien van het voorgenomen huwelijk en zij in 2010 in gemeenschap van goederen wilden trouwen. Zij voerde ook dwaling en de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid aan.
Het hof oordeelde dat de huwelijkse voorwaarden rechtsgeldig zijn en in werking zijn getreden bij het huwelijk van 2010. De wet stelt geen termijn waarbinnen een voorgenomen huwelijk moet volgen op het sluiten van huwelijkse voorwaarden. Appellante had onvoldoende feiten aangevoerd om te bewijzen dat het huwelijk van 2010 wezenlijk anders was dan het beoogde huwelijk in 1999 of dat de voorwaarden hun geldigheid hadden verloren.
Ook het beroep op dwaling en redelijkheid en billijkheid faalde, omdat appellante geen concrete feiten of omstandigheden had gesteld die dit konden onderbouwen. Het hof wees het bewijsaanbod van appellante af wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat de huwelijkse voorwaarden van toepassing zijn en wees de vorderingen van appellante af.