In hoger beroep is de verdachte veroordeeld voor poging tot diefstal van een personenauto door braak, gepleegd samen met een medeverdachte. Het hof oordeelt dat de gedragingen van verdachte en medeverdachte duiden op een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het wegnemen van de auto of goederen daaruit.
De verbalisanten zagen verdachte en medeverdachte bij de geparkeerde auto, hoorden het autoalarm afgaan en zagen vluchtgedrag. Bij de vlucht werden gereedschappen aangetroffen die geschikt zijn om de auto te forceren. De linker achterruit van de auto was ingeslagen.
De verdediging voerde aan dat alleen de medeverdachte goederen probeerde weg te nemen en dat de verbalisant het intikken van de ruit niet had gezien. Het hof verwierp dit verweer en achtte het bewezen dat verdachte medepleger was. Gezien de ernst van het feit, het recidivekarakter van verdachte en de omstandigheden, legde het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op, gelijk aan de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.