Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding na cassatie en verwijzing
2.Feiten
3.Beoordeling
primaireen beëindigingsvergoeding te voldoen van € 104.571,- en
subsidiairde gevolgen van de overeenkomst te wijzigen door aan [geïntimeerde] een beëindigingsvergoeding toe te kennen gelijk aan voornoemd bedrag dan wel een in goede justitie te bepalen financiële vergoeding, zowel primair als subsidiair met veroordeling van VU in de kosten van de procedure. Hieraan heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat sprake is van dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden doordat VU ten tijde van het aangaan van de beëindigingsovereenkomst [geïntimeerde] niet in kennis heeft gesteld van haar reorganisatieplannen. Indien VU dit wel zou hebben gedaan, dan was [geïntimeerde] niet onder dezelfde voorwaarden met beëindiging van zijn dienstverband akkoord gegaan.
“het rapport dat door de heer [B] schriftelijk werd verstrekt aan de heer [A] eind januari 2012 en waarover de heer [A] als getuige heeft verklaard in deze procedure op 8 januari 2014 (zie proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 8 januari 2014)”.
. Het gaat om de vraag of er voor de buitendienst gevolgen zouden optreden in het kader van de boogde veranderingen. Dat deze gevolgen zouden optreden en dat de buitendienst geen toekomst had, blijkt uit alle mogelijke scenario’s die eind januari 2012 bekend waren. VU had dus deze wetenschap op of omstreeks 17 februari 2012, [geïntimeerde] heeft aan zijn bewijsopdracht voldaan en de vorderingen van [geïntimeerde] liggen daarom voor toewijzing gereed.”
betwist dat indien [geïntimeerde] daarmee bekend was, hij de overeenkomst niet althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten”.
grief 2 in principaal appelbetoogt VU, samengevat, dat de kantonrechter [geïntimeerde] ten onrechte een beëindigingsvergoeding op basis van C=1 heeft toegekend. De kantonrechter heeft ter zake overwogen:
danwel dat hij een vergoeding van C=1 had bedongen gelijk hij eerder had verzocht.”
met de wetenschap van de op handen zijnde reorganisatie de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten en aanspraak zou hebben gemaakt op een vergoeding volgens het Sociaal Plan, gelijk gevorderd. De vordering zal dan ook worden toegewezen (…).”