ECLI:NL:GHAMS:2020:3285
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten rechtsbijstand na beëindiging strafzaak zonder strafoplegging
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak die zonder oplegging van straf of maatregel werd beëindigd. De strafzaak betrof het parketnummer 23-002988-18. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de advocaat-generaal en de raadsman van verzoekster gehoord.
De advocaat voerde aan dat werkzaamheden vóór de aanvraag van de toevoeging zijn verricht, welke op grond van het beleid van de Raad voor Rechtsbijstand niet onder de toevoeging vallen, maar wel voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 530, lid 2, Sv. Het hof overwoog dat de strafzaak eindigde zonder straf en dat de situatie van artikel 44a WRB zich destijds niet voordeed, zodat vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de periode vóór de toevoeging gerechtvaardigd is.
Het hof kende verzoekster een vergoeding toe van € 2.243,03, inclusief kosten van de verzoekschriftprocedure, met aftrek van reeds verleende rechtsbijstand vanaf augustus 2018. Het verzoek tot een hoger bedrag werd afgewezen. De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 24 november 2020.
Uitkomst: Het hof kent een vergoeding toe van € 2.243,03 voor kosten van rechtsbijstand voorafgaand aan de toevoeging.