Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling van zijn moeder. Uit het bewijs, waaronder verklaringen van de moeder, getuigen en het vastgestelde letsel, werd wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn moeder meerdere keren in het gezicht had geslagen.
De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met bijzondere voorwaarden. In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd behalve ten aanzien van de gronden en strafoplegging, waarbij het de straf heeft gematigd tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur, met een proeftijd van twee jaar.
Het hof nam de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waaronder zijn psychose ten tijde van het feit en zijn positieve ontwikkeling sindsdien. De mishandeling vond plaats in de woning van de moeder, wat de vertrouwensbreuk versterkt. Het hof legde een voorwaardelijke straf op om recidive te voorkomen.
De verdachte werd eerder onherroepelijk veroordeeld, wat meewoog in de strafoplegging. De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken op 15 december 2020 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.