ECLI:NL:GHAMS:2020:3766

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
8 januari 2021
Zaaknummer
23-002779-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling moeder met voorwaardelijke taakstraf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling van zijn moeder. Uit het bewijs, waaronder verklaringen van de moeder, getuigen en het vastgestelde letsel, werd wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn moeder meerdere keren in het gezicht had geslagen.

De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, met bijzondere voorwaarden. In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd behalve ten aanzien van de gronden en strafoplegging, waarbij het de straf heeft gematigd tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur, met een proeftijd van twee jaar.

Het hof nam de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waaronder zijn psychose ten tijde van het feit en zijn positieve ontwikkeling sindsdien. De mishandeling vond plaats in de woning van de moeder, wat de vertrouwensbreuk versterkt. Het hof legde een voorwaardelijke straf op om recidive te voorkomen.

De verdachte werd eerder onherroepelijk veroordeeld, wat meewoog in de strafoplegging. De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken op 15 december 2020 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van twee jaar wegens mishandeling van zijn moeder.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002779-19
Datum uitspraak: 15 december 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer
13-075151-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
1 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de gronden en de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen zal aanvullen.

Bewijsmotivering

Met de rechtbank acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de moeder op vragen van verbalisant tot tweemaal toe heeft geantwoord dat zij is geslagen en zij wijst vervolgens haar zoon aan. Daarnaast volgt uit de proces-verbaal van bevindingen dat de verbalisanten letsel zagen bij de moeder, namelijk een opgezwollen en bloedende lip. Het hof acht het niet aannemelijk dat dit letsel zou zijn veroorzaakt door een tandenstoker. Tenslotte heeft getuige [getuige] verklaard dat hij heeft gezien dat de man de vrouw sloeg. In hoger beroep is getuige [getuige] nog door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft hij wederom verklaard dat hij een vrouw om hulp hoorde schreeuwen en hij zag dat een man haar met een hand vasthield en haar met de andere hand in haar gezicht sloeg.
Aanvullend bewijsmiddel
Een proces-verbaal van 18 augustus 2020, opgemaakt door mr. G.M. Boekhoudt, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam [ongenummerde pagina’s].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 augustus 2020 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van
getuige [getuige]:
Ik liep met een groep mensen op straat in Amsterdam, op de [adres 2]. Daar heeft het
incident plaatsgevonden. Terwijl ik door die straat liep, zag ik een dame op het balkon en zij
riep: help, help. Dat schreeuwde ze steeds. Terwijl zij dat uitriep, was er iemand, die haar nek met één hand vasthield. Met de andere hand sloeg hij haar. U vraagt
mij waar hij haar sloeg? In haar gezicht. Hij heeft haar meerdere keren geslagen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden van meldplicht, begeleid wonen en het zoeken van een dagbesteding.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het goed met hem gaat. Ten tijde van het bewezenverklaarde feit verkeerde de verdachte in een psychose en ging het heel slecht met hem. Verdachte heeft sindsdien een jaar begeleid gewoond en woont tegenwoordig zelfstandig en is ook begonnen aan een HBO-studie. De verdachte zit in de laatste fase van de schuldsanering.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn moeder. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar letsel veroorzaakt, terwijl de verdachte, als zoon van het slachtoffer, de persoon zou moeten zijn bij wie zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook heeft de mishandeling plaatsgevonden in de woning van zijn moeder, een plaats waar zij zich juist veilig moet kunnen voelen.
Ten voordele van de verdachte slaat het hof acht op zijn persoonlijke omstandigheden die in positieve zin zijn veranderd. De verdachte lijkt zijn leven thans goed op de rit te hebben, na een periode waarin de verdachte last had van een psychose. Het hof zal daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen om te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 november 2020 is hij eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gronden van de bewezenverklaring en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2020.
mr. M.J.A. Plaisier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]