ECLI:NL:GHAMS:2020:3940
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging veroordeling voor het opzettelijk nalaten van meldingsplicht en feitelijk leidinggeven
De verdachte stond terecht wegens het opzettelijk nalaten van het verrichten van ongebruikelijke transactiemeldingen (MOT-meldingen) en het niet uitvoeren van cliëntenonderzoek binnen zijn rechtspersoon. In hoger beroep werd betoogd dat de verdachte mocht aannemen dat zijn accountant deze meldingen zou verrichten, maar dit werd door het hof verworpen op basis van getuigenverklaringen en schriftelijke antwoorden van een BFT-medewerker.
Het hof oordeelde dat onvoldoende vaststond dat er een overeenkomst bestond waarbij de accountant deze meldingen zou doen, en dat de verdachte, gelet op eerdere waarschuwingen, zelf verantwoordelijk was om dit expliciet en schriftelijk vast te leggen. Daarnaast werd vastgesteld dat de verdachte feitelijk leiding gaf aan de onderneming en verantwoordelijk was voor het beleid dat leidde tot het niet naleven van de meldings- en onderzoeksplichten.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarbij het bewezenverklaarde opzet en het feitelijk leidinggeven nader werden toegelicht en aangevuld. De verdachte werd aldus veroordeeld voor het opzettelijk nalaten van de meldingsplicht en het feitelijk leidinggeven aan deze strafbare gedragingen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het opzettelijk nalaten van meldingsplicht en feitelijk leidinggeven.