ECLI:NL:GHAMS:2020:4009

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
19 oktober 2021
Zaaknummer
23-000861-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 422 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoger beroep wegens opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter van 7 maart 2018. Verdachte werd veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Tijdens de behandeling op 14 januari 2020 heeft het hof kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en de verdediging. De advocaat-generaal vorderde bevestiging van de straf die door de politierechter was opgelegd.

Het hof stelde vast dat de rechtbank een kennelijke verschrijving had gemaakt in de kwalificatie, omdat artikel 2 van Pro de Opiumwet geen verschillende leden kent. Het hof corrigeerde dit en bevestigde het vonnis van de politierechter ongewijzigd, behoudens deze aanpassing.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 januari 2020, waarbij de strafrechterlijke beslissing werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 Opiumwet met correctie van de kwalificatie.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000861-18
Datum uitspraak: 28 januari 2020
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2018 in de strafzaak onder parketnummer
13-701240-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof een kennelijke verschrijving in de kwalificatie aanpast.
De rechtbank heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod”.
Artikel 2 van Pro de Opiumwet kent echter geen verschillende leden en de kwalificatie dient dan ook te worden gelezen als “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef Pro en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. A.D.R.M. Boumans en mr. J.D.L. Nuis, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 januari 2020.