De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk verkopen van 0,19 gram cocaïne. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege onvoldoende uitwerking van bewijsmiddelen en werd een nieuwe strafoplegging vastgesteld.
Het hof overwoog dat de waarnemingen van de verbalisant betrouwbaar waren, ondanks diens latere gebrek aan concrete herinnering. De verklaring van de medeverdachte werd niet geloofd omdat deze niet werd ondersteund door het dossier. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij de drugs had verkocht.
De strafbaarheid werd bevestigd, waarbij het hof rekening hield met de ernst van het feit, de volksgezondheid en overlast door harddrugs. Gezien de hoeveelheid cocaïne en eerdere veroordelingen van de verdachte werd een taakstraf van 30 uur passend geacht, met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen. Tevens werd een bedrag van 10 euro verbeurd verklaard en 220,40 euro teruggegeven.
De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd afgewezen vanwege onzekerheid over kennis van de proeftijd door de verdachte.