Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[bewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [huurder] , wonend te [woonplaats] ,
hen die verblijven aan het adres [adres 1 ] ,
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep in een kort geding over de vraag of de huurder zijn hoofdverblijf heeft in de gehuurde woning, die deel uitmaakt van een 55+ appartementencomplex. De verhuurder vordert ontruiming wegens vermeende onderverhuur en het ontbreken van het hoofdverblijf van de huurder in de woning.
De verhuurder baseert haar vordering op observaties, meldingen van overlast, een onderzoek door een recherchebureau en verklaringen van omwonenden die wijzen op bewoning door derden en afwezigheid van de huurder. De huurder betwist dit en stelt dat hij mantelzorg ontvangt en af en toe verblijft op een ander adres, waar ook zijn ex-echtgenote woont.
De kantonrechter wees de vordering af omdat onvoldoende feiten en omstandigheden waren aangevoerd om vooruit te lopen op een bodemprocedure. Het hof bevestigt dit oordeel, overwegende dat de verhuurder de bewijslast draagt en dat het beding dat deze bewijslast omkeert nietig is. Hoewel het hof aannemelijk acht dat de huurder in de onderzochte periode niet zijn hoofdverblijf in de woning had, is niet vastgesteld dat dit definitief is. Gezien de bijzondere omstandigheden, waaronder de gezondheid en mantelzorgsituatie van de huurder, is de ontruimingsvordering niet toewijsbaar.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de verhuurder in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.