ECLI:NL:GHAMS:2020:708

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
000138-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 530 SvArt. 591a SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding immateriële schade en kosten rechtsbijstand na voorlopige hechtenis toegekend

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade, materiële schade (inkomensderving) en kosten rechtsbijstand in verband met zijn voorlopige hechtenis en strafzaak. Het hof heeft het verzoekschrift behandeld en daarbij ook de adviezen van het Openbaar Ministerie betrokken.

De voorlopige hechtenis heeft gelopen van 17 mei 2017 tot 14 juni 2017, waarbij verzoeker tien dagen in beperkingen heeft doorgebracht. Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om een forfaitaire vergoeding van € 2.995,00 toe te kennen voor immateriële schade.

Verzoek om vergoeding van inkomensschade over de periode na detentie wordt afgewezen omdat deze schade volgens het hof te ver verwijderd staat van de vrijheidsbeneming en eerder verband houdt met de verdenking en vervolging zelf. Voor de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en in de verzoekschriftprocedure kent het hof respectievelijk € 8.835,21 en € 550,00 toe.

De totale vergoeding bedraagt € 12.380,21, welke onverwijld aan verzoeker wordt overgemaakt. Het hof wijst het anders of meer verzochte af.

Uitkomst: Vergoeding van immateriële schade en kosten rechtsbijstand toegekend, inkomensschade na detentie afgewezen.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000138-19 (533 Sv) en 000137-19 (530 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-003205-17
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 (oud) en 591a (oud) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1974,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. M.L. van Gessel,
[adres].

1.Procesverloop

Het verzoekschrift is op 1 februari 2019 ingekomen.
Bij advies van 18 april 2019 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 december 2019 de advocaat-generaal, verzoeker en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

2. Inhoud van het verzoek

Het verzoek – na wijziging in raadkamer van 19 december – strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
immateriële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 2.995,00;
materiële schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 11.330,14;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak ten bedrage van € 8.835,21.
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 550,00.

3.Beoordeling van het verzoek

Bij arrest van dit hof van 5 november 2017 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 533 Sv Pro
De door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde forfaitaire vergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wordt geacht de immateriële schade te vergoeden (ECLI:NL:GHDHA:2014:4159). Mits deugdelijk onderbouwd kan ook bijkomende materiële schade, zoals inkomensschade, worden vergoed.
Appellant is op 17 mei 2017 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 18 mei 2017 de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Appellant is op 14 juni 2017 in vrijheid gesteld. Van de voorlopige hechtenis heeft appellant 10 dagen in beperkingen doorgebracht.
Verzocht is om een forfaitaire vergoeding van de immateriële schade en voorts een vergoeding van inkomstenderving gedurende de periode 19 juli 2017 tot en met 31 december 2018.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een immateriële vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane verzekering en voorlopige hechtenis tot een bedrag van € 2.995,00.
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van loonderving overweegt het hof dat om vergoeding is gevraagd van de loonderving voor een periode na detentie omdat verzoeker toen minder inkomsten had dan voorheen, volgens verzoeker ten gevolge van de eerdere detentie.
Het hof is van oordeel dat de inkomstenderving die verzoeker heeft geleden na zijn detentie in een te ver verwijderd verband staat van de vrijheidsbeneming. Voor zover die schade al verband houdt met de strafzaak is deze veroorzaakt door de verdenking en de vervolging als zodanig, niet (louter) door het voorarrest. Voor inkomstenderving gedurende de detentie is geen vergoeding gevraagd.
Het hof zal het verzoek in zoverre afwijzen.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 530 Sv Pro
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de strafzaak tot een bedrag van € 8.835,21.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 550,00.

4.Beslissing

Het hof :
Kent op de voet van artikel 533 Sv Pro aan verzoeker een vergoeding toe van € 2.995,00 (vierduizend negenhonderdvijfennegentig euro).
Kent op de voet van artikel 591a Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 9.385,21 (negenduizend driehonderdvijfentachtig euro en eenentwintig cent).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.J.A. Plaisier en P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van
mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 17 januari 2020.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 12.380,21 (veertienduizend driehonderdtachtig euro en eenentwintig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Van Gessel advocaten o.v.v. [nummer].
Amsterdam, 17 januari 2020.
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.