Uitspraak
edruk (2011), blz. 427:
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker verbleef van 2 oktober tot 16 november 2012 in verzekering en voorlopige hechtenis en werd later vrijgesproken. Hij vroeg vergoeding van immateriële schade op basis van forfaitaire bedragen en materiële schade wegens inkomstenderving.
De rechtbank kende alleen de forfaitaire immateriële schadevergoeding toe en wees de materiële schade af, stellende dat de forfaitaire bedragen ook materiële schade omvatten. Het hof vernietigde deze beschikking en oordeelde dat de forfaitaire bedragen uitsluitend immateriële schade dekken, terwijl materiële schade volledig en concreet moet worden vergoed.
Het hof berekende de materiële schade op €52,02 na aftrek van bespaarde kosten en kende daarnaast de forfaitaire immateriële schadevergoeding van €3.675 toe. De totale vergoeding bedraagt daarmee €3.727,02.
Het oordeel is gebaseerd op richtlijnen van het LOVS, jurisprudentie en doctrine, waarbij de forfaitaire bedragen bedoeld zijn voor gederfde levensvreugde en niet voor concrete vermogensschade zoals inkomstenderving.
De beschikking is uitgesproken door het hof Den Haag op 18 december 2014, waarbij de eerdere beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het verzoek volledig werd toegewezen.
Uitkomst: Het hof kent verzoeker een totale schadevergoeding toe van €3.727,02 voor immateriële en materiële schade door onterechte voorlopige hechtenis.