ECLI:NL:GHAMS:2020:712

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 januari 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
000978-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 534 SvArt. 37 SrArt. 9a SrArt. 89 oud Sv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen schadevergoeding voor voorlopige hechtenis

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis in een strafzaak die zonder strafoplegging is geëindigd.

De voorlopige hechtenis duurde van 22 april 2018 tot 5 juni 2018. De rechtbank wees het verzoek af omdat, indien geen voorlopige hechtenis was bevolen, waarschijnlijk een maatregel ex artikel 37 Sr Pro zou zijn opgelegd. De advocaat van appellant verwees naar een eerdere beschikking van dit hof waarin een verzoek wel werd toegewezen.

Het hof oordeelt echter dat in deze zaak geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, zoals het niet civiel kunnen plaatsen van appellant kort na aanhouding, die toekenning van schadevergoeding rechtvaardigen. Het hof sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare verzoeken zijn afgewezen en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000978-19 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/701643-18
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2019 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 89 oud Pro van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. M.G. van Wijk,
[adres].

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 15 april 2019 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 19 december 2019 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
a. schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 3.570,00;

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Appellant is op 21 april 2018 aangehouden en op 22 april 2018 in verzekering gesteld. Vervolgens is op 24 april 2018 de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Op 5 juni 2018 is de voorlopige hechtenis geschorst.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en heeft daartoe overwogen dat indien geen rechterlijke machtiging was opgelegd, hoogstwaarschijnlijk een maatregel ex artikel 37 Sr Pro zou zijn opgelegd.
De advocaat van appellant heeft onder verwijzing naar de beschikking van dit hof van 12 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1795 gesteld dat het verzoek moet worden toegewezen.
Het hof overweegt dat uit de stukken in de onderhavige zaak niet is gebleken dat, zoals in de aangehaalde beschikking wel het geval was, appellant kort na zijn aanhouding niet civiel geplaatst kon worden en louter om die reden in verzekering en vervolgens voorlopige hechtenis is gesteld.
Het hof overweegt voorts dat in vergelijkbare gevallen als het onderhavige, verzoeken zijn afgewezen (Gerechtshof Den Bosch 28 juli 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3845; Rechtbank Noord-Nederland 26 september 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5166).
Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep ongegrond.
Het hof verenigt zich derhalve met de beschikking waarvan beroep en de gronden waarop deze berust.

4.Beslissing

Het hof:
Wijst het hoger beroep af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M.J.A. Plaisier en P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 17 januari 2020.