ECLI:NL:GHAMS:2020:832

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
200.266.887/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging en gedeeltelijke vernietiging verlenging ondertoezichtstelling kinderen

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling (OTS) van haar drie kinderen verlengde tot 28 juli 2019. De GI verzocht om verlenging van de OTS voor een jaar, terwijl de moeder dit betwistte en het verzoek wilde afwijzen. De Raad voor de Kinderbescherming trad op als adviseur.

De feiten betreffen een gezin met een belaste voorgeschiedenis, waaronder huiselijk geweld en psychische problematiek bij de moeder. De kinderen vertoonden diverse zorgen, zoals fors schoolverzuim bij de oudste en ontwikkelingsachterstanden bij de jongere kinderen. De moeder toonde een ambivalente houding ten opzichte van hulpverlening.

Het hof oordeelde dat ten tijde van de bestreden beschikking van 28 juli 2019 sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die verlenging van de OTS rechtvaardigde. Echter, sindsdien zijn positieve ontwikkelingen zichtbaar, waaronder medewerking aan hulpverlening en verbetering bij de kinderen. Daarom vernietigt het hof de verlenging van de OTS voor de periode vanaf heden tot 28 juli 2020 en wijst het verzoek tot verlenging voor die periode af.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt verzocht een afschrift aan de rechtbank te zenden. De moeder blijft verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding, met ondersteuning waar nodig.

Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling wordt bekrachtigd tot 28 juli 2019 en vernietigd voor de periode daarna; het verzoek tot verlenging wordt afgewezen voor de periode van heden tot 28 juli 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.266.887/01
zaaknummer rechtbank: C/13/667326 JE RK 19-508
beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2020 inzake
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Öz te Amsterdam,
en
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de hierna te noemen minderjarige [kind A] ;
- de hierna te noemen minderjarige [kind B]
;
- de hierna te noemen minderjarige [kind C]
.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 1 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 30 september 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
1 juli 2019.
2.2
De GI heeft op 11 december 2019 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een Formulier bij kindgesprek van [kind A] van 20 november 2019, ingekomen op 22 november 2019;
- een brief van de zijde van de GI van 29 januari 2020.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met de minderjarige [kind A] gesproken en heeft hiervan tijdens de mondelinge behandeling kort verslag gedaan.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw F. Huizinga;
- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

3.De feiten

3.1
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:
- [kind A] (hierna te noemen: [kind A] ), [in] 2006, te [geboorteplaats] ;
- [kind B] (hierna te noemen: [kind B] ), [in] 2015, te [geboorteplaats] ;
- [kind C] (hierna te noemen: [kind C] ), [in] 2017, te [geboorteplaats] ;
(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen.
3.2
De kinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter van 28 januari 2019 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 28 januari 2019 tot 28 juli 2019.
3.3
De moeder en de vader hebben samen nog één kind, te weten [kind D] , geboren [in] 2004 te [geboorteplaats] . [kind D] is sinds 2017 (wederom) uit huis geplaatst en verblijft nu op een XL groep van Spirit. Bij beschikking van de rechtbank van
24 juli 2019 is het eenhoofdig gezag van de moeder over [kind D] beëindigd en is de GI benoemd tot voogd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 28 juli 2019 verlengd voor de duur van één jaar.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van één jaar af te wijzen en de GI te veroordelen in de proceskosten.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ter beoordeling aan het hof ligt voor of de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.
5.2
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
De moeder betoogt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet aanwezig zijn en voert daartoe – onder meer – het navolgende aan.
Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Ten aanzien van [kind B] en [kind C] zijn er geen zorgen, zij doen het beiden goed. Omdat ten aanzien van [kind B] in het oudergesprek op school is aangegeven dat hij vaak moe is op school, blijft hij nu op donderdagmiddag thuis bij de vader. De vader gaat ook met [kind B] naar logopedie. Ten aanzien van [kind A] zijn er weliswaar zorgen over zijn spijbelen en gamegedrag, maar de moeder ontvangt hiervoor hulpverlening van Altra in de vorm van Ambulante hulp Thuis & Op School (hierna: ATOS) waar zij blij mee is. De moeder weet hoe ze aan hulp kan komen indien dit nodig is en ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. Zij heeft een fulltime baan en meer (gedwongen) hulpverlening levert haar alleen maar stress op.
5.4
De GI stelt zich op het standpunt dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling wel degelijk aanwezig zijn. Daartoe voert zij – onder meer – het navolgende aan. Er is nog altijd sprake van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Bij [kind A] is er sprake van schoolverzuim en daarnaast neemt hij in de thuissituatie veel zorgtaken op zich. [kind B] heeft ondersteuning nodig bij zijn taal- en spraakontwikkeling en is snel moe. De GI meent dat er bij de moeder sprake is van overbelasting waarvoor zij ondersteuning nodig heeft in de thuissituatie. Ook meent de GI dat er bij de moeder sprake is van een patroon van starten en vroegtijdig stoppen met hulpverlening. De GI heeft de moeder aangemeld voor het programma Voorwaardelijke Interventie in Gezinnen (hierna: VIG) van Spirit waarvoor zij na een lange wachttijd inmiddels in aanmerking komt, maar de moeder staat niet open voor deze vorm van hulpverlening waardoor een intakegesprek tot op heden niet heeft kunnen plaatsvinden. VIG ondersteunt het hele gezin, werkt ook buiten kantoortijden en kan de moeder helpen met praktische zaken.
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen. De raad heeft weliswaar zorgen over de thuissituatie en de belasting van de moeder, maar ziet op dit moment geen ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Ten aanzien van [kind A] zijn er zorgen over zijn schoolverzuim, maar hiervoor ontvangt de moeder hulpverlening in de vorm van ATOS, aldus de raad. De raad meent dat de moeder veel baat kan hebben bij hulpverlening vanuit VIG en raadt de moeder dan ook aan om een intakegesprek te plannen.
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken. De kinderen groeien op in een gezin met een belast verleden. Zij zijn veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Nadat de ouders definitief uit elkaar gingen in 2017, bleef de moeder achter met schulden. Zij gaf regelmatig aan overbelast te zijn en de combinatie van fulltime werken en de dagelijkse zorg voor de kinderen zwaar te vinden. In het verleden is de moeder gediagnosticeerd met borderline, een paniekstoornis en PTSS. De oudste dochter van de ouders, [kind D] , is kort na haar geboorte uit huis geplaatst en in 2012 bij de ouders teruggekeerd. Zij heeft een reactieve hechtingsstoornis ontwikkeld. In 2017 is [kind D] opnieuw uit huis geplaatst en sindsdien verblijft zij in een XL groep van Spirit.
Bij [kind A] is sprake van fors schoolverzuim. Daarnaast lijkt hij geparentificeerd, doordat hij veel zorgtaken op zich neemt die niet passend zijn bij zijn leeftijd. [kind B] toont zich nieuwsgierig, maar heeft op de opvang bij aanvang extra begeleiding nodig gehad bij de regels en structuur die op de groep gelden. Verder kan hij het vanwege vermoeidheid moeilijk een hele dag volhouden op de opvang. Daarnaast heeft [kind B] extra ondersteuning nodig bij zijn spraak- en taalontwikkeling. [kind C] wordt gezien als een vrolijk en beweeglijk kind dat op onderzoek uitgaat. Over hem zijn geen noemenswaardige zorgen geuit.
Aanvankelijk accepteerde de moeder in 2018 hulpverlening vanuit de Praktijkondersteuner Huisarts Geestelijke Gezondheidszorg. Daarnaast was het Ouder- en Kindteam betrokken om de moeder te ondersteunen bij de opvoeding van de kinderen. Na verloop van tijd bleek dat de moeder de ingezette hulpverlening niet meer accepteerde en moeilijk bereikbaar was voor de hulpverlening. Gelet op de omstandigheid dat er geen zicht was op de opvoedingssituatie van de kinderen, de belaste voorgeschiedenis van het gezin alsmede de zorgen rondom de ontwikkeling van de kinderen is op 28 januari 2019 een ondertoezichtstelling door de kinderrechter uitgesproken. In de periode daaropvolgend liet de moeder een ambivalente houding zien ten opzichte van de hulpverlening. Zo trok zij haar eerder gegeven toestemming voor een Ouder Kind Adviseur in en was zij slecht bereikbaar voor de school van [kind A] . Ten aanzien van het schoolverzuim gaf zij aan dat dit [kind A] eigen verantwoordelijkheid is. Ook de vader was moeilijk bereikbaar voor de hulpverlening.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. Anders dan [kind A] lieten [kind B] en [kind C] weinig tot geen kindsignalen zien, maar de ontwikkelingsbedreiging voor hen was gelegen in de opvoedingsomgeving. Er waren zorgen over de beschikbaarheid van de moeder nu zij signalen van overbelasting liet zien. Ook waren er zorgen over haar opvoedingscapaciteiten. Doordat de moeder zich ambivalent opstelde richting de hulpverlening, was er onvoldoende zicht op de kinderen in de opvoedingsomgeving. De moeder was onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de genoemde bedreigingen weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Derhalve was naar het oordeel van het hof ten tijde van de bestreden beschikking voldaan aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling.
5.7
Uit de stukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er in de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen zijn geweest. Sinds november 2019 is ATOS betrokken bij [kind A] vanuit zijn school. [kind A] heeft wekelijks gesprekken met ATOS over zijn spijbelgedrag, gamegedrag, huiswerk en toetsen. Moeder erkent dat [kind A] hulp nodig heeft en staat open voor de hulpverlening vanuit ATOS. Ter zitting in hoger beroep is voorts gebleken dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat het goed gaat met [kind B] en [kind C] . [kind B] volgt nu sinds een jaar logopedie. De vader is betrokken bij de kinderen door wekelijks op de woensdagen en donderdagen de kinderen op te vangen in het huis van de moeder. Naar het oordeel van het hof kan thans niet meer worden gesproken van een concrete ontwikkelingsbedreiging voor [kind B] en [kind C] . Het hof overweegt dat de moeder in het verleden wisselend is gebleken in het accepteren van hulpverlening. Nu echter is gebleken dat zij thans meewerkt aan de hulpverlening die noodzakelijk is voor het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [kind A] en zij daarnaast ter zitting in hoger beroep heeft ingestemd met een intakegesprek met het VIG – zoals voorgesteld door de GI – en het vertrouwen bestaat dat zij daaraan gevolg geeft, is het hof van oordeel dat op dit moment niet meer aan de gronden van artikel 1:255 BW Pro is voldaan. Derhalve zal het hof het inleidend verzoek van de GI afwijzen voor zover het de periode van heden tot 28 juli 2020 betreft.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van de kinderen is verlengd over de periode van 28 juli 2019 tot heden;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van de kinderen is verlengd over de periode van heden tot 28 juli 2020;
wijst het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen alsnog af voor zover het de periode van heden tot 28 juli 2020 betreft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.T. Hoogland, J.M van Baardewijk en
T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 10 maart 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.