Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Heden, de negentiende oktober tweeduizend één verklaar ik, Meester [notaris] , notaris gevestigd in de gemeente [gemeente] , dat ik mij zoveel mogelijk heb overtuigd van het volgende:
Gerechtshof Amsterdam
Klager diende een klacht in tegen de notaris over de afwikkeling van de nalatenschap van zijn overleden broer, waarbij hij stelde dat de notaris onzorgvuldig had gehandeld door slechts een deel van de vordering van zijn vader op de nalatenschap te voldoen.
De notaris had een verklaring van erfrecht opgemaakt waarin werd vastgesteld dat de moeder van het enige kind van de overledene de enige erfgenaam was. De vader van klager had zich niet als schuldeiser gemeld, ondanks uitnodigingen en advertenties.
De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht van klager ongegrond, en het hof bevestigde dit oordeel. Er waren geen feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigden. Het hof oordeelde dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld.
De beslissing is genomen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart de klacht ongegrond.