In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die zijn verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor had afgewezen. Appellant stelde dat tussen hem en Credit Europe Bank N.V. (CEB) een overeenkomst tot kredietverlening en betaling van maandelijkse vergoedingen was gesloten, welke CEB niet is nagekomen.
Het hof overwoog dat appellant onvoldoende feiten had gesteld die door CEB waren betwist en die het bewijs van de omstreden overeenkomst konden opleveren. De onbetwiste feiten, waaronder een bespreking op 24 maart 2010 en handgeschreven aantekeningen daarvan, rechtvaardigen niet de conclusie dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Bovendien had appellant niet aannemelijk gemaakt dat de leden van de raad van commissarissen die de bespreking bijwoonden bevoegd waren om CEB te binden.
Ook het verzoek tot verstrekking van afschriften van bestuursbesluiten en notulen werd afgewezen, omdat niet was vastgesteld dat appellant partij was bij een rechtsbetrekking waarbij deze documenten relevant zijn. Daarnaast was de bewaartermijn van zeven jaar voor deze documenten verstreken en was niet aannemelijk gemaakt dat CEB deze nog in bezit had.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking, wees de verzoeken van appellant af en veroordeelde hem in de kosten van het geding in hoger beroep.