ECLI:NL:GHAMS:2021:1064
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding rechtsbijstand na sepot wegens dierenverwaarlozing
Verzoekster stelde zich op het standpunt dat zij recht had op vergoeding van gemaakte kosten voor rechtsbijstand in verband met een strafzaak waarin zij werd verdacht van dierenverwaarlozing. De strafzaak was geseponeerd onder voorwaarden. De rechtbank had de vergoeding geweigerd wegens het eigen verwijt van verzoekster aan het ontstaan van de strafzaak.
Het hof overwoog dat de artikelen 530, 533 en 534 Sv voorzien in vergoeding van kosten van rechtsbijstand indien een zaak eindigt zonder strafoplegging, maar dat de rechter op grond van billijkheid een vergoeding geheel of gedeeltelijk kan weigeren. Daarbij kan rekening worden gehouden met het gedrag van de verzoeker en de motivering van het sepot, mits dit niet in strijd is met de onschuldpresumptie.
Het hof oordeelde dat het niet billijk was om de vergoeding te weigeren, mede omdat verzoekster de aantijgingen met klem betwistte en het sepot een beleidssepot betrof. Ook voor de kosten van de verzoekschriftprocedure werd een vergoeding toegekend. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende een vergoeding van € 2.146,48 toe.
Uitkomst: Het gerechtshof kent verzoekster een volledige vergoeding van € 2.146,48 toe voor gemaakte kosten rechtsbijstand.