ECLI:NL:GHAMS:2021:1094

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
23-001550-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens intrekking

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2020. Tijdens de procedure gaf de raadsman namens verdachte aan dat het hoger beroep niet langer werd gehandhaafd en verzocht om niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 416, tweede lid, Sv.

Het hof constateerde dat verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis introk en dat er geen rechtens te respecteren belang meer is bij voortzetting van het hoger beroep. Daarom werd verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één van de rechters niet in staat was mede te ondertekenen. Het arrest werd uitgesproken op 20 januari 2021.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001550-20
datum uitspraak: 20 januari 2021
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-016759-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2021.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkend tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep op de voet van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en het standpunt van de raadsman.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is aangevangen op 25 augustus 2020. De raadsman heeft bij e-mail van 15 december 2020 namens de verdachte te kennen gegeven dat deze zijn hoger beroep niet langer wenst te handhaven en dat hij het hof verzoekt hem op grond van artikel 416, tweede lid, Sv in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof begrijpt dat de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep intrekt. Naar aanleiding daarvan en nu het hof ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak, zal de verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Sv.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. A. Ivanov, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2021.
mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.