Deze zaak betreft een hoger beroep van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) tegen een vonnis van de voorzieningenrechter die de vordering tot ontruiming van een AZC door vergunninghouders heeft afgewezen. Het geschil draait om de vraag of het COA passende huisvesting buiten het AZC heeft aangeboden aan de vergunninghouders, die de woning aanvankelijk weigerden vanwege medische klachten.
De vergunninghouders, met Syrische nationaliteit, verbleven in het AZC en kregen een woning aangeboden in Amsterdam. Na aanvankelijke weigering accepteerden zij de woning, maar weigerden deze later opnieuw vanwege rugklachten van de vrouw en luchtwegproblemen bij de minderjarige kinderen. Het COA achtte de weigering onterecht en sommeerde ontruiming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de woning niet passend was vanwege medische omstandigheden, maar het hof stelt dat het COA redelijkerwijs mocht aannemen dat de woning passend was. Het hof benadrukt dat de vergunninghouders onvoldoende medische onderbouwing hebben geleverd en dat het COA een ruime beoordelingsmarge heeft. Het hof vernietigt het vonnis en veroordeelt de vergunninghouders in de proceskosten.