Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grieven I tot en met IIIdat de vaststellingen onder 2.9, 2.10 en 2.11 geheel of gedeeltelijk onjuist zijn. Voor zover van belang zal het hof hierna met deze grieven rekening houden. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.
3.Beoordeling
grieven IV tot en met VIhouden in dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ten onrechte heeft ontbonden op de zogeheten h-grond, te weten andere (dan de onder artikel 7:669 lid Pro 3 a tot en met g BW genoemde) omstandigheden die zodanig zijn dat van Eurest Services in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Deze grieven, die gezamenlijk kunnen worden behandeld, falen op grond van het volgende.
waarmee ik dacht dat we daarmee een afspraak hadden gemaakt. Helaas moet ik vaststellen dat wij niet verder komen naar een oplossing.”;
ex tunc”). [appellante] heeft niet gesteld – noch is gebleken – dat de door haar veroorzaakte geuroverlast niet meer aanwezig was ten tijde van haar vrijstelling van haar werkzaamheden in december 2019 en/of ten tijde van de bestreden beschikking op 3 april 2020.