ECLI:NL:GHAMS:2021:1460

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
26 mei 2021
Zaaknummer
200.265.811/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 RvArt. 362 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling in civiele zaak

Appellant heeft op 12 september 2019 hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 13 juni 2019. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en verzocht om proceskostenveroordeling bij intrekking van het beroep. Op 27 maart 2021 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Het hof beoordeelt dat appellant hierdoor niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

Geïntimeerde vordert een integrale proceskostenveroordeling omdat zij meent dat de procedure onnodig is gevoerd en appellant het verzoek niet tijdig heeft ingetrokken, wat strijdig zou zijn met de goede procesorde. Appellant betwist dit en stelt dat er geen sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen en dat partijen hun eigen kosten moeten dragen.

Het hof oordeelt dat een proceskostenveroordeling op grond van artikel 289 Rv Pro ook mogelijk is bij niet-ontvankelijkheid door intrekking. Hoewel het hof geen aanleiding ziet voor een integrale kostenveroordeling, acht het redelijk appellant te veroordelen in de proceskosten tot op liquidatietarief. De kosten worden begroot op €324 aan verschotten en €1.114 aan salaris advocaat. De beschikking is op 25 mei 2021 uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.265.811/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 7618881 \ EA VERZ 19-207
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 mei 2021
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.C. Kool te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.D.M.C. Nolet te Alkmaar.

1.Het geding in hoger beroep

Appellant heeft op 12 september 2019 een beroepschrift, met producties, ingediend bij het hof. Daarbij is hij onder aanvoering van acht grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam op 13 juni 2019 onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen heeft gegeven.
Geïntimeerde heeft op 8 november 2019 een verweerschrift, met bijlagen, ingediend bij het hof.
Bij V4-formulier van 27 maart 2021 heeft mr. Kool namens appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 2 april 2021, met bijlagen, heeft mr. Nolet namens geïntimeerde het hof verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, appellant te veroordelen in de (integrale) proceskosten.
Bij brief van 19 april 2021 heeft mr. Kool namens appellant het hof verzocht dit verzoek af te wijzen.
Uitspraak is bepaald op heden.
2. Beoordeling
2.1.
De intrekking van het beroepschrift heeft tot gevolg dat, nu de aangevoerde gronden van het beroep niet meer kunnen worden onderzocht, appellant in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen.
2.2.
Geïntimeerde heeft verzocht appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de (integrale) proceskosten. Onder verwijzing naar randnummers 5.1 tot en met 5.5 van het verweerschrift in hoger beroep heeft geïntimeerde aangevoerd dat in dit geval een integrale proceskostenveroordeling op zijn plaats is, omdat zij onnodig op kosten is gejaagd. Volgens geïntimeerde had deze procedure (in hoger beroep) namelijk niet gevoerd hoeven worden – appellant wist bij aanvang van de procedure dat het verzochte voorlopig deskundigenbericht niet ter zake dienend is – en moet het niet tijdig intrekken van het verzoek in strijd worden geacht met de goede procesorde.
2.3.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een (integrale) proceskostenveroordeling geen grond is. Daartoe heeft hij aangevoerd dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatig handelen, die een integrale proceskostenveroordeling zouden kunnen rechtvaardigen. Verder betwist appellant dat hij door de intrekking van het hoger beroep per definitie moet worden gezien als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij. Volgens appellant heeft hij geïntimeerde ook niet nodeloos of lichtvaardig in de procedure betrokken met het enkele doel haar hinder of nadeel toe te brengen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een veroordeling in de proceskosten. Appellant stelt voor de intrekking zo zijn persoonlijke redenen te hebben, waarbij zijn gewijzigde financiële situatie in verband met de coronacrisis een rol speelt. Nu door de intrekking van het hoger beroep de procedure eindigt, dienen partijen zijns inziens hun eigen kosten te dragen.
2.4.
Op grond van artikel 289 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv Pro kan de rechter een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep uitspreken. Ook een partij die niet in het ongelijk wordt gesteld maar niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het intrekken van het hoger beroep, kan in deze kosten worden veroordeeld. Anders dan appellant lijkt te betogen, is een veroordeling in de kosten op grond van artikel 289 Rv Pro niet slechts aan de orde in het geval dat een partij zijn wederpartij nodeloos of lichtvaardig in de procedure heeft betrokken. Daarbij merkt het hof op dat de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2019:1528) waarop appellant in dit kader wijst, is gegeven in een familiezaak en dat het in het algemeen gebruikelijk is in familiezaken dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Het hof ziet in deze zaak aanleiding voor een veroordeling van appellant in de proceskosten van het hoger beroep vanwege de intrekking daarvan in dit stadium van de procedure, te weten nadat door geïntimeerde een verweerschrift was ingediend. Voor een integrale kostenveroordeling zoals door geïntimeerde verzocht, ziet het hof evenwel geen aanleiding. De omstandigheden die geïntimeerde heeft aangevoerd zijn onvoldoende voor het aannemen van misbruik van recht of onrechtmatig handelen door appellant en nopen ook anderszins niet tot een veroordeling in de volledige proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep dus berekenen met inachtneming van het liquidatietarief. Voor de kosten van de advocaat van geïntimeerde zal worden gerekend met tarief II (onbepaalde waarde) en zal worden uitgegaan van 1 punt voor het verweerschrift in hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van geïntimeerde gevallen, op € 324,- aan verschotten en € 1.114,- aan salaris;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, J.C.W. Rang en
J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021.