ECLI:NL:GHAMS:2021:1460
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling in civiele zaak
Appellant heeft op 12 september 2019 hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 13 juni 2019. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en verzocht om proceskostenveroordeling bij intrekking van het beroep. Op 27 maart 2021 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Het hof beoordeelt dat appellant hierdoor niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.
Geïntimeerde vordert een integrale proceskostenveroordeling omdat zij meent dat de procedure onnodig is gevoerd en appellant het verzoek niet tijdig heeft ingetrokken, wat strijdig zou zijn met de goede procesorde. Appellant betwist dit en stelt dat er geen sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen en dat partijen hun eigen kosten moeten dragen.
Het hof oordeelt dat een proceskostenveroordeling op grond van artikel 289 Rv Pro ook mogelijk is bij niet-ontvankelijkheid door intrekking. Hoewel het hof geen aanleiding ziet voor een integrale kostenveroordeling, acht het redelijk appellant te veroordelen in de proceskosten tot op liquidatietarief. De kosten worden begroot op €324 aan verschotten en €1.114 aan salaris advocaat. De beschikking is op 25 mei 2021 uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten.