Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
onherroepelijkebeslissing is genomen.
Gerechtshof Amsterdam
Appellant werd op 29 oktober 2020 aangehouden op basis van een Europees Aanhoudingsbevel en verbleef sindsdien in overleveringsdetentie. Hij vorderde in kort geding zijn onmiddellijke vrijlating, stellende dat zijn detentie onrechtmatig was en dat de strafrechtelijke rechtsgang onvoldoende waarborgen bood.
Het hof overwoog dat de Overleveringswet en het Wetboek van Strafvordering een stelsel bieden dat vergelijkbaar is met voorlopige hechtenis, waarbij de raadkamer van de rechtbank bevoegd is om verzoeken tot opheffing of schorsing van de overleveringsdetentie te behandelen, met mogelijkheid tot hoger beroep bij het hof. Dit systeem biedt voldoende waarborgen en snelle toetsing.
Appellant stelde dat het systeem tekortschiet en dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming moet bieden, maar het hof verwierp dit omdat de strafrechtelijke rechtsgang adequaat en snel is. Ook inhoudelijke klachten over de detentie en procedure behoren tot die strafrechtelijke rechtsgang en kunnen niet in het kort geding tegen de Staat worden behandeld.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot vrijlating uit overleveringsdetentie; het vonnis van de voorzieningenrechter is bekrachtigd.