De Stichting, opgericht om belangen van obligatiehouders te behartigen, had een bestuurder die volgens statuten per 1 oktober 2018 was beëindigd. De notaris schreef op verzoek van een derde bestuurder klager uit en een nieuwe bestuurder in het handelsregister in zonder voldoende onderzoek te doen naar de bevoegdheid van de opdrachtgever. De notaris handelde daarmee niet zoals van een zorgvuldig notaris verwacht mag worden.
De notaris voerde aan dat hij slechts een marginale toets hoefde te doen en dat hij geen reden had om aan de juistheid van de stukken te twijfelen. Het hof oordeelde echter dat de notaris aanvullende vragen had moeten stellen, zeker gezien de discrepantie tussen de statuten en de inschrijving in het handelsregister.
De klacht over het doorhalen van het hypotheekrecht werd ongegrond verklaard omdat de notaris op dat moment een geldige volmacht had. Het hof vernietigde de eerdere beslissing, verklaarde de klacht gegrond voor de bestuurderswijziging, legde een waarschuwing op en veroordeelde de notaris tot vergoeding van kosten aan klagers en het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak.