Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De zaak in het kort
3.Feiten
dat de geldlening thans opeisbaar is”.
Opposant erkent overigens het bestaan van de geldlening conform overeenkomst zoals overgelegd bij productie 2 van geopposeerde, evenals dat hij erkent dat van de oorspronkelijke hoofdsom van die lening, destijds € 100.000,00, door tussentijdse aflossing van € 18.000,00, thans nog € 82.000,00 resteert.”. Daarmee heeft [geïntimeerde] de restantvordering inderdaad uitdrukkelijk erkend in de zin van art. 154 lid 1 Rv Pro.