ECLI:NL:HR:2022:1212

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2022
Publicatiedatum
15 september 2022
Zaaknummer
21/03812
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:43 BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof in geschil over dwaling bij overeenkomst van geldlening

In deze zaak stond een geschil centraal over de vraag of er sprake was van dwaling met betrekking tot een gerechtelijke erkenning in een overeenkomst van geldlening. Eiseres stelde dat zij bij betaling een aanwijzing had gegeven zoals bedoeld in artikel 6:43 lid 1 BW Pro (imputatie). Verweerder voerde verweer tegen deze stelling.

De zaak is in eerste aanleg en hoger beroep behandeld door de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam, waarbij verschillende vonnissen en arresten zijn gewezen. Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 8 juni 2021.

De Hoge Raad heeft de klachten van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het arrest is op 16 september 2022 gewezen door een kamer van vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Lock. Beide cassatieberoepen zijn verworpen en partijen zijn veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/03812
Datum16 september 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres] ,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en J.M. Moorman,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: J. van Weerden.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/15/272835 / HA ZA 18-252 van de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2017, 2 mei 2018 en 14 november 2018;
de arresten in de zaak 200.254.449/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2019 en 8 juni 2021.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof van 8 juni 2021 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft tegen dit arrest incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt zowel in het principale cassatieberoep als in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
16 september 2022.