ECLI:NL:GHAMS:2021:1745
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verklaring voor recht over woonplaats zoon huurder en geen vexatoir beslag
In deze civiele zaak vordert appellant een verklaring voor recht dat hij tijdens de kortgedingprocedure en ontruiming in 2013 niet woonachtig was op het adres van de gehuurde woning van zijn vader. Tevens stelt hij dat het in 2017 op zijn loon gelegde beslag door Rochdale vexatoir was en terugbetaald moet worden.
Het hof stelt vast dat appellant op basis van ingebrachte bewijsstukken, waaronder verklaringen van familie en een vriendin, inderdaad niet feitelijk woonde op het gehuurde adres ten tijde van de kortgedingprocedure. Rochdale heeft dit niet gemotiveerd betwist. De verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
De vordering tot terugbetaling van het loonbeslag wordt afgewezen. Rochdale heeft het beslag gelegd om de executie van het ontruimingsvonnis veilig te stellen, waarbij ook personen die op het adres stonden ingeschreven werden betrokken. Appellant stond ingeschreven maar was niet verschenen in de procedure en heeft geen verzet aangetekend. Het risico van de inschrijving ligt bij appellant. Het beslag betrof enkel proceskosten en aanverwante kosten, niet de ontruimingskosten of achterstallige huur.
Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en wijst de vordering tot verklaring voor recht toe, terwijl de rest van de vorderingen wordt afgewezen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 8 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof verklaart voor recht dat appellant niet woonachtig was op het gehuurde adres en wijst de vordering tot terugbetaling van het loonbeslag af.