3.13.Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt ze over. [appellanten] hebben in hoger beroep niets gesteld dat tot een ander oordeel kan leiden. Naar aanleiding van hetgeen [appellanten] in dit verband in hoger beroep hebben aangevoerd, geldt nog het volgende.
- Aan de orde is slechts de vraag of [appellant sub 1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, niet waar hij, indien dat niet aannemelijk is, zijn hoofdverblijf dan wel zou hebben.
- De stelling van [appellant sub 1] dat hij op de zitting van de kantonrechter inzichtelijk heeft gemaakt hoe de slaapkamers in het gehuurde zijn verdeeld en dat zijn zoon weleens in zijn bed slaapt, bijvoorbeeld wanneer de zoon een nachtdienst heeft gedraaid en [vader] vroeg naar zijn werk gaat, maakt niet duidelijk hoe zijn dagelijks leven in het gehuurde eruit ziet, zoals de kantonrechter al heeft overwogen. In hoger beroep heeft [appellant sub 1] hieraan niets concreets toegevoegd. Zijn stellingen dat ‘de fam. [vader] ’ samen eet en het gebruik van het gehuurde en de kosten van levensonderhoud deelt, zijn immers algemeen en oncontroleerbaar. Deze stellingen bieden dan ook geen inzicht in het dagelijks leven van [appellant sub 1] in het gehuurde. Dat [appellant sub 2] en zijn gezin op 29 december 2019 in de BRP zijn ingeschreven op het adres van het gehuurde is wel controleerbaar, maar zegt niets over het hoofdverblijf van [appellant sub 1] in het gehuurde.
- De in eerste aanleg in het geding gebrachte getuigenverklaringen zijn door de kantonrechter terecht als summier en vaag bestempeld. De verklaringen zijn in algemene bewoordingen gesteld. Concrete aanwijzingen dat [appellant sub 1] hoofdverblijf in het gehuurde heeft zijn daaraan niet te ontlenen. Dat geldt ook voor de verklaring van [C] (niet [naam] , zoals in de memorie van grieven staat), inhoudende dat [appellant sub 1] al 20 jaar in het gehuurde woont en ‘iedere dag om 14.30 uit huis op weg naar zijn werk’ gaat en ‘iedere dag weer thuis [is] rond middernacht (2.00)’. Niet alleen is niet duidelijk waarop [C] deze kennis baseert, maar ook is zo’n dagelijks patroon gedurende twintig jaar niet goed voorstelbaar, hoe hardwerkend [appellant sub 1] ook moge zijn.
- De in het geding gebrachte (winkel)bonnen zijn anoniem en kunnen wel degelijk van iedereen zijn. De bankafschriften die [vader] in het geding heeft gebracht betreffen een en/of rekening van hem en zijn vrouw, die in ieder geval niet in het gehuurde woont. Post van Rochdale aan [appellant sub 1] met betrekking tot de woning wordt uiteraard naar het gehuurde gestuurd en de overweging van de kantonrechter dat officiële instanties het BRP adres gebruiken is wel degelijk terug te voeren op een stelling van Rochdale en is daarnaast een feit van algemene bekendheid. Aan de paar wel op naam van [appellant sub 1] aan het adres van het gehuurde gestelde facturen valt zijn hoofdverblijf in het gehuurde niet te ontlenen. Dat geldt ook voor (het voorblad van) het ledenblad van de ANWB, (het achterblad van) het ledenblad van Eigen Huis en de afrekening van Engie met betrekking tot zijn bedrijf, die zijn geadresseerd aan [vader] op het adres van het gehuurde.
- Ook in onderling verband en samenhang bezien bieden de door [appellanten] in het geding gebrachte stukken onvoldoende aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat het gehuurde nog daadwerkelijk zijn hoofdverblijf was. Daartegenover staan de stukken die Rochdale in het geding heeft gebracht, met onder meer verklaringen van de betrokken familieleden, die wel aannemelijk maken dat [appellant sub 1] zijn hoofdverblijf niet meer in het gehuurde had.