ECLI:NL:GHAMS:2021:1798
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onredelijk bezwarend beding bij voortijdig verlaten medehuur appartement
In deze civiele zaak stond centraal of een medehuurder een geldsom verschuldigd was wegens het voortijdig verlaten van een appartement dat hij samen met anderen huurde. De huurovereenkomst was oorspronkelijk voor bepaalde tijd, maar liep door voor onbepaalde tijd. De medehuurder had een voordrachtformulier ondertekend waarin stond dat hij bij vertrek binnen twaalf maanden een boete gelijk aan de volledige borg van het appartement verschuldigd zou zijn.
De kantonrechter wees de vordering van de medehuurder tot terugbetaling van de waarborgsom toe en verwierp de tegenvordering van de verhuurder wegens een boetebeding. De verhuurder ging in hoger beroep en stelde dat het beding geldig was en dat de medehuurder hoofdelijk aansprakelijk bleef.
Het hof oordeelde dat artikel 7:271 BW Pro niet van toepassing was omdat de medehuurder was vervangen met instemming van de verhuurder. Het boetebeding in het voordrachtformulier werd als onredelijk bezwarend aangemerkt, omdat het een buitensporige geldsom eiste zonder dat de verhuurder schade had geleden. Het hof vernietigde het beding en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij de verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom en de kosten van het geding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de waarborgsom aan de medehuurder moet worden terugbetaald en verklaart het boetebeding onredelijk bezwarend en vernietigt dit.