De betrokkene werd door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor medeplegen van verschillende strafbare feiten, waaronder drugshandel, wapenbezit en valsheid in aangifte, en tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zowel het openbaar ministerie als de betrokkene gingen in hoger beroep tegen het vonnis en de ontnemingsmaatregel.
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep en oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was ondanks een termijnoverschrijding van twee dagen bij het indienen van de appelschriftuur. Het hof vond dat het maatschappelijk belang bij behandeling van het appel zwaarder woog dan de beperkte overschrijding, temeer daar de betrokkene niet door de overschrijding was geschaad.
Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar en vijf maanden in de hogerberoepsprocedure matigde het hof het bedrag met €5.000, waardoor de ontnemingsverplichting werd vastgesteld op €774.000.
Daarnaast bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op 1080 dagen. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 juni 2021.