ECLI:NL:GHAMS:2021:188
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over recht op wachtgeld na beëindiging WW-uitkering door verblijf in het buitenland
In deze civiele procedure staat het recht op wachtgeld centraal, gekoppeld aan het recht op een WW-uitkering, waarbij appellant sinds 1 oktober 2017 in Libanon woont en de WW-uitkering door het UWV is beëindigd.
Het hof bevestigt dat de cao Ziekenhuizen algemeen verbindend is verklaard en als recht in de zin van artikel 79 Wet Pro RO geldt, waardoor het hof ex artikel 25 Rv Pro verplicht is te onderzoeken of recht op wachtgeld bestaat. Het recht op wachtgeld vervalt vanaf 1 oktober 2017, omdat de WW-uitkering is stopgezet wegens het niet voldoen aan noodzakelijke voorwaarden.
Appellant stelde dat het recht op wachtgeld over bepaalde maanden alsnog toegekend moet worden op grond van redelijkheid en billijkheid, maar dit verweer faalt. De berekeningen van appellant zijn deels onjuist vanwege het meerekenen van eenmalige uitkeringen en pensioenreserveringen. Het hof volgt de berekening van BOMW en veroordeelt BOMW tot nakoming van de wachtgeldregeling tot en met december 2017.
De proceskosten worden deels gecompenseerd, waarbij BOMW wordt veroordeeld in de kosten van het incidentele appel. Het arrest bevestigt dat het recht op wachtgeld na 1 oktober 2017 is komen te vervallen en wijst het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Het hof veroordeelt BOMW tot nakoming van de wachtgeldregeling tot en met december 2017 en wijst het meer of anders gevorderde af.