ECLI:NL:GHAMS:2021:1996
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening contactregeling biologische vader met minderjarige onder begeleiding GI
De man is de biologische vader van een minderjarige dochter die sinds december 2020 in een pleeggezin verblijft onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder heeft het gezag en verleent beperkte begeleide omgang. De man verzocht bij de rechtbank om een voorlopige voorziening voor contact met zijn dochter, welke werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde de man dat hij recht heeft op contact op grond van het EVRM en IVRK, ondanks dat hij nog niet is erkend als vader. De vrouw betwistte het belang van contact en gaf aan de dochter te willen beschermen tegen teleurstellingen. De GI kon de man nog niet ontmoeten en achtte contact op dit moment niet in het belang van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde juist om op korte termijn begeleid contact te organiseren.
Het hof oordeelde dat de man en de minderjarige recht hebben op contact en dat het belang van de man bij een voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het moeten afwachten van de bodemprocedure. Gezien de kwetsbaarheid van het kind en het ontbreken van kennismaking tussen de GI en de man, stelde het hof vast dat contact alleen kan plaatsvinden onder regie en begeleiding van de GI. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de voorlopige voorziening werd toegewezen.
Uitkomst: De man heeft recht op contact met zijn dochter onder regie en begeleiding van de gecertificeerde instelling.