ECLI:NL:GHAMS:2021:2031

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2021
Publicatiedatum
9 juli 2021
Zaaknummer
23-003761-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake ontucht met minderjarige en jeugdprostitutie

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 9 juli 2021 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige, die zich beschikbaar stelde voor seksuele handelingen tegen betaling. De tenlastelegging omvatte meerdere feiten die zich hebben voorgedaan tussen 1 september 2015 en 30 november 2016. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks tegen betaling met een 16-jarige, wat in strijd is met artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft de verklaringen van het slachtoffer, die onder druk van de omstandigheden zijn afgelegd, als betrouwbaar beoordeeld. De verdachte werd vrijgesproken van de eerste cumulatief/alternatief tenlastelegging, maar het hof achtte de tweede cumulatief/alternatief tenlastelegging bewezen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken en een taakstraf van 150 uren. Daarnaast zijn er vorderingen tot schadevergoeding ingediend door het slachtoffer en zijn ouders, die gedeeltelijk zijn toegewezen. Het hof heeft de ernst van de feiten en de impact op het slachtoffer zwaar laten meewegen in de strafoplegging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003761-19
datum uitspraak: 9 juli 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-665051-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1979,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 en 18 september 2020 en 17 en 25 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie en de raadsvrouw van de verdachte hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot [geboortedag 2] 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met een persoon genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of
- de penis van die [slachtoffer] in zijn mond genomen en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- die [slachtoffer] afgetrokken en/of
- zich door die [slachtoffer] anaal laten penetreren;
2.
eerste cumulatief/alternatiefhij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 30 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) door giften of beloften van geld of goed, te weten het betalen of het in het vooruitzicht stellen met/van geld en/of sigaretten en/of andere goederen, een persoon genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen van verdachte, te weten het (telkens)
- in de mond van die [slachtoffer] brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis en/of
- in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- aftrekken van die [slachtoffer] en/of
- zich door die [slachtoffer] anaal laten penetreren;
en/of
2.
tweede cumulatief/alternatief
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van [geboortedag 2] 2016 tot en met 30 november 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met een persoon genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, te weten het (telkens)
- in de mond van die [slachtoffer] brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis en/of
- in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en/of
- zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of
- aftrekken van die [slachtoffer] en/of
- zich door die [slachtoffer] anaal laten penetreren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Het bewijs

1.onderzoek 13Oscoda en betrouwbaarheid verklaringen van [slachtoffer]

Deze zaak is onderdeel van het zogenaamde 13Oscoda onderzoek. De rechtstreekse aanleiding voor het 13Oscoda onderzoek is geweest dat de ouders van de in de tenlastelegging genoemde, destijds minderjarige [slachtoffer] , hierna genoemd [slachtoffer] , berichten op diens telefoon hadden ontdekt die wezen op seksuele ontmoetingen met mannen, waarna zij hem op 16 januari 2017 in aanwezigheid van de politie daarmee hebben geconfronteerd. [slachtoffer] heeft in dat gesprek direct verteld dat hij seksuele contacten heeft gehad met mannen, niet onder dwang maar voor geld of voor drank of rookwaar. Hij vertelde hevig geëmotioneerd dat hij wilde dat het stopte en dat hij eigenlijk blij was dat het was uitgekomen. [slachtoffer] heeft vervolgens tot en met 3 augustus 2017 gedurende een zogenaamd ‘informatief gesprek’, een autorit met de politie en zes verhoren, verklaard over seksuele ontmoetingen met tenminste elf mannen in een periode vanaf het voorjaar van 2014 tot en met januari 2017. Behoudens het eerste gesprek en een kort deel van het informatieve gesprek, waren de ouders van [slachtoffer] niet aanwezig als [slachtoffer] zijn verklaringen aflegde. Hij heeft in het bijzonder verklaard over drie mannen met wie hij sinds 2014 of 2015 tientallen keren seksuele ontmoetingen heeft gehad en daarnaast over meerdere mannen met wie hij later en gedurende kortere periodes ontmoetingen heeft gehad, soms slechts één. Hij heeft van de meeste van die mannen een naam of bijnaam genoemd, heeft verteld waar zij (ongeveer) woonden en gedurende een autorit met de politie kon hij van meerdere van hen hun woningen aanwijzen. In zijn telefoon zijn de door hem omschreven mannen veelal ook als contact aangetroffen.
Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer] in het algemeen betrouwbaar en daarmee bruikbaar om een bewezenverklaring op te baseren. Het overweegt daartoe het volgende. Het hof heeft uit het hiervoor kort geschetste verloop van het onderzoek de indruk gekregen dat [slachtoffer] oprecht heeft verklaard over de seksuele ontmoetingen die hij in de loop van de tijd heeft gehad. Hoewel hij aanvankelijk niet alles heeft verteld zolang daar niet specifiek naar werd gevraagd of op werd doorgevraagd, is hij in het vervolg van zijn verklaringen steeds vollediger en specifieker geworden over de seksuele ontmoetingen, waarbij hij ook open is geweest over de actieve rol die hij zelf bij die ontmoetingen speelde, over het voorwenden dat hij meerderjarig was en over de wisselende gevoelens die hij bij de seksuele ontmoetingen had. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op de omstandigheid dat [slachtoffer] meermaals en ten aanzien van meerdere verdachten heeft erkend (ook) wel seks te hebben gehad zonder dat hij daar een vergoeding voor vroeg of ontving. Dat deze openheid pas geleidelijk tijdens de verhoren is ontstaan, doet naar het oordeel van het hof aan de oprechtheid van zijn verklaringen in het algemeen niet af, waarbij het hof in aanmerking neemt dat [slachtoffer] geregeld ook opener was dan waartoe de verklaringen van verdachten en het berichtenverkeer tussen hen en [slachtoffer] hem zouden hebben kunnen brengen.
Het hof heeft onder ogen gezien dat [slachtoffer] wisselend of niet eenduidig heeft verklaard over onder meer de aantallen keren dat hij seksuele ontmoetingen met bepaalde mannen heeft gehad, over de precieze aard van de seksuele handelingen, het precieze tijdstip ervan, het beschermde of onbeschermde karakter van de seks, of over het wel of niet betaald zijn voor de seks. In dit verband is gewezen op het veelvuldige wietgebruik door [slachtoffer] gedurende de periode van de seksuele ontmoetingen, wat de beleving van de seksuele ontmoetingen in de loop der jaren en de concrete herinneringen daaraan kan hebben vertroebeld en derhalve afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
Hoewel het hof onderkent dat het veelvuldige wietgebruik de betrouwbaarheid van herinneringen kan aantasten, ziet het hof in het samenstel van gesprekken en verhoren geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat het geheugen van [slachtoffer] zodanig is aangetast dat aan zijn herinneringen geen waarde meer zou kunnen worden gehecht. Het hof ziet in het soms wisselende karakter van zijn verklaringen wel aanleiding om daarvan met behoedzaamheid gebruik te maken waar het gaat om de precieze vaststelling van de feiten, maar ziet er geen reden in om in het algemeen aan de geloofwaardigheid van die verklaringen te twijfelen.
In dat verband overweegt het hof dat het geen aanleiding heeft te oordelen dat het soms wisselende karakter van de verklaringen voortkomt uit een behoefte bij [slachtoffer] om bepaalde personen in strijd met de waarheid te belasten of om bepaalde aspecten van zijn eigen gedrag te verhullen. Er blijkt niet of nauwelijks van een specifieke koestering van wrok tegen de mannen in kwestie, hij verklaart zelfs geregeld positief over hen. Over zijn actieve rol in de seksuele ontmoetingen is hij, als gezegd, uiteindelijk open geweest.
De omstandigheid dat [slachtoffer] heeft moeten verklaren over tientallen seksuele ontmoetingen met tenminste elf mannen gedurende een periode van bijna drie jaren, waarbij de ontmoetingen per verdachte sterk varieerden in aantal en aard, maakt voor het hof begrijpelijk dat [slachtoffer] op onderdelen niet eenduidig of zelfs wisselend heeft verklaard. Daarbij betrekt het hof voorts dat de ontdekking van de seksuele ontmoetingen, de daardoor ontstane emoties binnen zijn gezin alsmede de vele, soms langdurige verhoren, psychisch belastend moeten zijn geweest voor [slachtoffer] , terwijl hij zich tegelijkertijd heeft getoond als iemand die vlot en makkelijk praat en daardoor soms wat minder accuraat verklaart. Daarom heeft de politie herhaaldelijk op onderdelen moeten doorvragen, maar dit rechtvaardigt niet de conclusie dat moet worden getwijfeld aan de herinneringen die [slachtoffer] beschreef of aan de oprechtheid van zijn (uiteindelijke) verklaringen.
Tot slot overweegt het hof in dit verband dat het informatieve gesprek en alle daarop volgende verhoren van [slachtoffer] auditief zijn geregistreerd en dat de procesdeelnemers de verklaringen aldus op betrouwbaarheid hebben kunnen (laten) toetsen.
Daar waar [slachtoffer] al dan niet na doorvragen wel eenduidig en/of specifiek verklaart over aard en aantal van de seksuele ontmoetingen, het contact met de betreffende mannen of personen en gebeurtenissen die daarmee verband houden, hecht het hof dus in beginsel geloof aan die verklaringen met de daarbij behorende behoedzaamheid. Het hof slaat daarbij bovendien telkens acht op de mate waarin die verklaringen ten aanzien van individuele verdachten steun vinden in de verklaringen van die verdachte zelf, in het berichtenverkeer tussen hen beiden en in eventueel ander bewijs. Aldus komt het hof telkens tot een waardering van het bewijsmateriaal in onderlinge samenhang.

2.algemeen juridisch kader

De tenlasteleggingen in dit onderzoek zijn, afhankelijk van de aard van de seksuele ontmoetingen en de leeftijd van het slachtoffer/de minderjarige [slachtoffer] op het moment van handelen, geënt op de artikelen 245, 247, 248a (oud) en 248b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het hof wijdt om te beginnen een aantal algemene overwegingen aan dit aan de orde zijnde wettelijk kader en de interpretatie van onderdelen daarvan door het hof. De genoemde strafbepalingen strekken volgens de expliciete bedoeling van de wetgever ter bescherming van de minderjarige. Zij luidden in de tenlastegelegde periode in essentie als volgt:
Artikel 245 Sr:
Hij die met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 247 Sr:
Hij die (…) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelde tot het plegen of dulden van zodanige handelingen buiten echt met een derde verleidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248a (oud) Sr:
Hij die door giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk beweegt ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
Artikel 248b Sr:
Hij die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
In deze strafbepalingen gaat het steeds om seksuele handelingen. Seksuele handelingen zijn in beginsel vrij, tenzij een deelnemer jonger is dan 16 jaar; dan zijn die handelingen in beginsel verboden en strafbaar. Ook als sprake is van ongelijkheden in bijvoorbeeld (machts)positie, leeftijd of wilsbekwaamheid tussen de sekspartners, of van seks tegen betaling of belofte daarvan, kunnen seksuele handelingen strafbaar zijn en daardoor ontuchtig in de zin van de wet. Op dergelijke ongelijkheden zien de beschreven en tenlastegelegde strafbepalingen. In het onderzoek 13Oscoda wordt de verdachten verweten dat zij ontuchtige handelingen hebben verricht met het slachtoffer/een minderjarige zoals bedoeld in een of meer van de voornoemde strafbepalingen. Naar het oordeel van het hof zijn de tenlastegelegde handelingen telkens aan te merken als handelingen met een onmiskenbaar seksuele strekking en in zoverre als ontuchtig, terwijl het leeftijdsverschil tussen de verdachten en [slachtoffer] telkens aanzienlijk is geweest (de jongste verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde 36 jaar oud, terwijl de leeftijd van [slachtoffer] varieerde van 14 tot 16 jaar oud). Hieruit kan telkens ook het opzet van de verdachten op de ontucht worden afgeleid. Welke strafbepalingen van toepassing zijn, is in belangrijke mate afhankelijk van de leeftijd van [slachtoffer] , die op [geboortedag 2] 2016 zestien jaar is geworden.
Artikelen 245 en 247 Sr en het verschil daartussen (slachtoffer jonger dan 16)
Seksuele handelingen die vóór [geboortedag 2] 2016 hebben plaatsgevonden, zijn in deze zaken als gezegd aan te merken als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 Sr of artikel 247 Sr. Het ontuchtige karakter komt aan die handelingen niet te ontvallen door gelijkwaardigheid, in leeftijd of anderszins, van de verdachte en het slachtoffer. Het verschil tussen de beide strafbepalingen is voor zover hier relevant dat bij artikel 245 Sr (mede) sprake moet zijn van seksueel
binnendringenvan het lichaam, in welk verband het hof tot uitgangspunt neemt dat daarmee wordt gedoeld op het door de verdachte (oraal en/of anaal) binnendringen van het lichaam van de minderjarige. Artikel 247 Sr ziet op andere seksuele handelingen, waaronder ook het door het slachtoffer (oraal en/of anaal) binnendringen van het lichaam van de verdachte. Artikel 245 Sr kent als gevolg van het binnendringen van het lichaam van het slachtoffer een hoger strafmaximum dan artikel 247 Sr, namelijk acht jaar gevangenisstraf in plaats van zes jaar gevangenisstraf.
Artikelen 248a (oud) en 248b Sr: verleiding en jeugdprostitutie (slachtoffer 16 of 17 jaar)
Seksuele handelingen met iemand van 16 of 17 jaar oud zijn onder bepaalde omstandigheden strafbaar. Dat is – voor zover hier van belang – het geval als de minderjarige tot de seksuele handelingen is bewogen door giften of beloften, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding (artikel 248a (oud) Sr) of zich tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen ter beschikking heeft gesteld (artikel 248b Sr). Op beide delicten staat een maximale gevangenisstraf van vier jaar. De in artikel 248a (oud) Sr omschreven ontucht door verleiding is overigens, voor zover het verband houdt met een slachtoffer dat jonger dan zestien jaar is, reeds strafbaar op basis van de artikelen 245 of 247 Sr. Eén gedraging kan dus vallen onder zowel artikel 245 Sr of artikel 247 Sr als artikel 248a (oud) Sr.
Het verschil tussen artikel 248a (oud) Sr en artikel 248b Sr: verleiding tegenover betaling op aanbod
Waar artikel 248b Sr kortgezegd elke vorm van ontucht strafbaar stelt met een 16- of 17 jarige die zich tegen betaling aanbiedt voor seks, stelt artikel 248a (oud) Sr alleen strafbaar het – door giften van geld of goed of de belofte daarvan - opzettelijk bewegen tot ontuchtige handelingen van die minderjarige. In het geval van seks tegen betaling onderscheidt artikel 248a (oud) Sr zich dus van artikel 248b Sr door de verleidende rol van de verdachte. Er is een causaal verband vereist tussen enerzijds het geven van geld of goed of het beloven daarvan door de verdachte en anderzijds de uiteindelijke ontuchtige handelingen met het slachtoffer. Daarvan is naar inmiddels vaste rechtspraak sprake als voldoende aannemelijk is dat de minderjarige – kort gezegd –
medeonder invloed van giften of beloften van geld of goed is overgegaan tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen (ECLI:NL:HR:2018:1013).
Het hof leidt hieruit af dat nodig is dat op enigerlei wijze verleidende handelingen of uitlatingen van de verdachte moeten zijn vast te stellen, voor zover hier relevant in termen van giften of beloftes daarvan. Die handelingen of uitlatingen moeten voorts – al dan niet naast andere factoren – tot gevolg hebben gehad dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Het enkele aanvaarden van een door de minderjarige gedaan aanbod tot seks tegen betaling is naar het oordeel van het hof hiervoor onvoldoende, en valt enkel onder de strafbepaling van artikel 248b Sr. Voor een bewezenverklaring van artikel 248a Sr is, in beginsel, evenmin voldoende dat de verdachte weliswaar wervende handelingen heeft verricht, maar daarop door de minderjarige niet is gereageerd.

3.de onderhavige zaak

In de onderhavige zaak is in het bijzonder de vraag aan de orde hoeveel seksuele ontmoetingen hebben plaatsgevonden en of sprake is geweest van verleiding door de verdachte als bedoeld in artikel 248a (oud) Sr.
3.1
standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] ten tijde van de seksuele ontmoetingen jonger dan zestien jaren oud was. Voorts heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 2, eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten. Naar het oordeel van de advocaat-generaal dient ten aanzien van het aantal seksuele ontmoetingen te worden uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] dat dit acht keren is geweest.
3.2
standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte wederom moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook van het onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer] opzettelijk door de verdachte is bewogen tot ontuchtige handelingen en evenmin dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] nog geen 18 jaren oud was. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van het aantal seksuele ontmoetingen heeft zij bepleit dat moet worden uitgegaan van de verklaring van de verdachte dat dit er drie tot vier zijn geweest.
3.3
oordeel van het hof
Niet ter discussie staat dat de verdachte en [slachtoffer] elkaar via [chatprogramma] hebben ontmoet en dat zij meerdere seksuele afspraken tegen betaling hebben gehad, waarbij [slachtoffer] zich voordeed als een achttien- of negentienjarige. De seksuele handelingen bestonden uit het pijpen van [slachtoffer] door de verdachte en het anaal penetreren van de verdachte door [slachtoffer] .
De verklaringen van de verdachte en [slachtoffer] lopen wel uiteen wat de periode en het aantal ontmoetingen betreft.
[slachtoffer] heeft op 28 januari 2017 verklaard dat hij de verdachte sinds ongeveer een jaar als klant had en dat hij ongeveer acht keren bij de verdachte thuis is geweest. Op 9 maart 2017 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij dacht dat het eerste fysieke contact met de verdachte was toen hij 15 jaren oud was, en in totaal een keer of acht.
De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] voor of in de zomer van 2016 voor het eerst heeft ontmoet, maar dat ze daarvoor wel al contact hadden en dat zij ongeveer drie of vier seksuele ontmoetingen hebben gehad.
In het dossier bevinden zich whatsappberichten tussen de verdachte en [slachtoffer] van 17 [maand] 2016 tot 8 [maand] 2016. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte tot en met 29 [maand] 2016 ieder voorstel tot een ontmoeting van [slachtoffer] lijkt af te wijzen (door telkens te berichten: “ik kan niet”), maar dat op 7 en 8 [maand] 2016 van beide kanten wordt getracht het tot een ontmoeting te laten komen.
3.3.1
vrijspraak feit 1 ‘ontucht mede met seksueel binnendringen art. 245 Sr’
Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de verdachte acht het hof het onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. In de eerste plaats niet omdat niet kan worden vastgesteld dat de seksuele handelingen mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . In de tweede plaats niet omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [slachtoffer] ten tijde van de seksuele handelingen jonger was dan 16. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.
3.3.2
vrijspraak feit 2 eerste cumulatief/alternatief ‘verleiding art. 248a (oud) Sr’
Uit de verklaringen van [slachtoffer] , mede bezien in het licht van de inhoud van de zich in het dossier bevindende whatsappberichten en tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste juridische kader, kan onvoldoende concreet worden afgeleid dat de ontuchtige handelingen plaatsvonden doordat [slachtoffer] hiertoe opzettelijk door de verdachte werd
bewogen, in die zin dat voldoende aannemelijk zou zijn dat hij
medeonder invloed van giften of beloften van geld of goed is overgegaan tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Gelet hierop komt het hof niet toe aan de beantwoording van de vraag of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten of [slachtoffer] ten tijde van de ontuchtige handelingen nog geen achttien jaar oud was.
3.3.3
bewezenverklaring feit 2 tweede cumulatief/alternatief ‘jeugdprostitutie art. 248b Sr’
Het hof stelt vast dat er meerdere seksuele ontmoetingen tegen betaling hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] . Het hof gaat er, in de eerste plaats gelet op de verklaring van de verdachte dat het eerste seksuele contact plaatsvond voor of in de zomer van 2016 en in de tweede plaats op de chatberichten waaruit volgt dat de verdachte in ieder geval tot en met 29 [maand] 2016 niet is ingegaan op enig voorstel van [slachtoffer] , van uit dat deze ontmoetingen plaatsvonden ná de zestiende verjaardag van [slachtoffer] op [geboortedag 2] 2016. De ontuchtige handelingen vielen daarmee binnen het bereik van de strafbaarstelling van artikel 248b Sr (jeugdprostitutie).
Voor wat betreft het aantal seksuele ontmoetingen overweegt het hof als volgt.
Het hof hecht als gezegd in beginsel geloof aan de verklaringen van [slachtoffer] , met de daarbij behorende behoedzaamheid, waarbij het hof telkens acht slaat op de mate waarin die verklaringen steun vinden in de verklaringen van de verdachte zelf, in het berichtenverkeer tussen hen beiden en in eventueel ander bewijs. De verklaringen van [slachtoffer] over het aantal seksuele ontmoetingen waardeert het hof als enigszins aarzelend en niet dusdanig gedetailleerd en duidelijk dat de stellige verklaring van de verdachte dat er hooguit drie of vier seksuele ontmoetingen hebben plaatsgevonden als onaannemelijk terzijde kan worden gesteld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van [slachtoffer] over het aantal ontmoetingen geen steun vinden in objectieve andere bewijsmiddelen. Het hof gaat daarom op dit punt uit van de verklaring van de verdachte dat er drie of vier seksuele ontmoetingen hebben plaatsgevonden.
Alles overziend is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen gelegen in de periode van [geboortedag 2] 2016 tot en met 30 november 2016 te Amsterdam, telkens ontucht heeft gepleegd met een persoon genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2000, die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, te weten het telkens
- in zijn mond nemen van de penis van die [slachtoffer] en
- zich door die [slachtoffer] anaal laten penetreren.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:
ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straffen
De rechtbank
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven weken met aftrek van voorarrest
De advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest. Daarbij dient volgens de advocaat-generaal te worden uitgegaan van meer dan vier ontmoetingen. Als strafverzwarende omstandigheid heeft hij meegewogen dat sprake was van onbeschermde seks. De advocaat-generaal heeft aansluiting gezocht bij een uitspraak van het hof Den Haag van 4 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2601. De advocaat-generaal heeft bij zijn vordering veel gewicht toegekend aan het geschonden belang, de bescherming van de lichamelijke integriteit van een minderjarige. Een voorwaardelijk strafdeel, eventueel met elektronisch toezicht, acht hij daarom niet passend.
De verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest in combinatie met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf met elektronisch toezicht, al dan niet in combinatie met een taakstraf, op te leggen. Hieraan heeft de raadsvrouw– samengevat – ten grondslag gelegd dat moet worden uitgegaan van drie tot vier seksuele ontmoetingen en dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van onbeschermde seks. Ten aanzien van het (on)beschermde karakter van de seks heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [slachtoffer] weliswaar heeft verklaard dat de seks onbeschermd was, maar dat hij dit pas heeft gedaan toen hem daarnaar werd gevraagd en nadat hem whatsappberichten daarover van de verdachte zijn voorgehouden. Over de betreffende whatsappberichten heeft de raadsvrouw van de verdachte betoogd dat dit grootspraak was van de verdachte. Ook heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet op zoek was naar seks met een minderjarige en niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de omstandigheid dat de verdachte inmiddels niet meer in aanmerking zal komen voor de zelfmeldprocedure, hetgeen bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf extra zware gevolgen zou hebben voor de verdachte.
Overwegingen van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
In het algemeen wordt het volgende vooropgesteld.
Het hof heeft acht geslagen op de wettelijke strafmaxima van de toepasselijke strafbepaling(en). Als ondergrens voor de strafoplegging heeft het hof gelet op het taakstrafverbod van artikel 22b Sr. Op grond van dit artikel mag in geval van veroordeling ter zake van de hier aan de orde zijnde strafbepalingen niet alleen een taakstraf worden opgelegd. Het hof heeft voorts rekening gehouden met de straffen die in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn, of plegen te worden, opgelegd. Deze straffen hebben, voor zover zij althans zien op artikel 248b Sr (jeugdprostitutie), hun weerslag gevonden in de LOVS oriëntatiepunten. Voor het eenmalig plegen van ontucht tegen betaling met een minderjarige van zestien of zeventien jaar oud, waarbij sprake is van seksueel binnendringen, is een (korte) onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een taakstraf van 150 uren uitgangspunt.
Bij het bepalen van de straf(soort) heeft het hof zich in belangrijke mate laten leiden door de navolgende overwegingen.
Kenmerkend voor de in 13Oscoda aan de orde zijnde strafbepalingen is dat zij seksueel handelen met minderjarigen strafbaar stellen, ongeacht de omstandigheid of de minderjarige zich daarin ogenschijnlijk welwillend of zelfs initiërend opstelt. Aan die strafbaarstelling ligt ten grondslag dat minderjarigen op seksueel en geestelijk gebied nog niet volgroeid zijn en dat zij worden geacht niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien alsmede dat daardoor de kans op (geestelijke) schade voor de verdere (seksuele) ontwikkeling van minderjarigen, ook in gevallen waarin de minderjarige zich welwillend of initiërend opstelt, groot is.
Een dergelijke opstelling van de minderjarige kan, zeker naarmate deze de meerderjarigheid nabij is, meerderjarig oogt en/of meerderjarigheid voorwendt, bij een verdachte de ogen doen sluiten voor de mogelijke schadelijke gevolgen van het seksuele handelen. In het bijzonder bij een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de verdachte en de minderjarige geeft het hof evenwel substantieel meer gewicht aan de verantwoordelijkheid van de verdachte om te voorkómen dat een minderjarige schadelijke gevolgen ondervindt van het seksuele handelen. Van die verantwoordelijkheid maakt onderdeel uit dat de verdachte zich ervan verzekert met een meerderjarige van doen te hebben.
Het hof acht het van belang om, met inachtneming van de vergeldende en normbevestigende functie van straffen, met name in de oplegging van (al dan niet langdurige) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen, uitdrukking te geven aan het verwijt van de veronachtzaming van deze verantwoordelijkheid.
Het hof ziet eveneens onder ogen dat de strafrechtelijke vervolging met arrestatie, voorarrest en onderzoeken in hun woning en persoonlijke gegevensdragers, op zichzelf al een schok teweeg heeft gebracht en het leven van verdachten op zijn kop heeft gezet, en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf slechts in beperkte mate een toegevoegde afschrikwekkende functie voor hen heeft. Tevens acht het hof aannemelijk dat zelfs een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij de meeste verdachten nog meer aanzienlijke en soms onomkeerbare gevolgen heeft voor hun persoonlijke leven. Het hof heeft een en ander afgewogen tegen het hiervoor genoemde belang van vergelding en normbevestiging en geeft aan dat belang meer gewicht.
Ten aanzien van de verdachte overweegt het hof voorts het navolgende.
De aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seks tegen betaling met [slachtoffer] , die toen 16 jaar oud was. De verdachte en [slachtoffer] hebben drie tot vier seksuele ontmoetingen gehad, waarbij [slachtoffer] zichzelf in ruil voor geld aan de verdachte heeft aangeboden. De seksuele handelingen bestonden steeds uit het pijpen van [slachtoffer] door de verdachte en het anaal penetreren van de verdachte door [slachtoffer] . De verdachte was in de bewezen verklaarde periode 36 jaren oud en had naar het oordeel van het hof bepaald beter moeten weten. Het hof neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij de ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd, ondanks het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en de nog ruim minderjarige [slachtoffer] .
Ten aanzien van het (on)beschermde karakter van de seks overweegt het hof het volgende. Anders dan de verdediging leidt het hof niet uit het dossier af dat [slachtoffer] zijn verklaring van 3 augustus 2017 over de onbeschermde seks heeft gebaseerd op daaraan voorafgaande kennisname, op 9 maart 2017, van de betreffende whatsappberichten. Blijkens het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt zijn op 9 maart 2017 wel een aantal whatsappberichten aan [slachtoffer] voorgehouden, maar uit dat proces-verbaal blijkt niet dat dat de berichten over onbeschermde seks betreft. Het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat [slachtoffer] op 9 augustus 2017 niet uit eigen herinnering heeft verklaard over de onbeschermdheid van de seks. Die verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de inhoud van de whatsappberichten tussen de verdachte en [slachtoffer] , waaruit minst genomen volgt dat de verdachte een duidelijke voorkeur had voor onbeschermde seks. Het hof ziet voldoende specifieke gronden om aan te nemen dat tussen [slachtoffer] en de verdachte onbeschermde seks heeft plaatsgevonden.
Handelingen zoals de verdachte die heeft gepleegd, maken een ernstig inbreuk op de lichamelijke
integriteit van het slachtoffer en kunnen, naar de ervaring leert, leiden tot blijvende psychische schade. Dat ook bij [slachtoffer] sprake is van psychische schade blijkt, naast zijn verklaringen in het dossier, uit de onderbouwing van het ingediende verzoek tot schadevergoeding. Hieruit volgt dat bij [slachtoffer] PTSS is gediagnosticeerd, dat [slachtoffer] - ondanks reeds ondergane behandeling - nog altijd last heeft van PTSS, nachtmerries en concentratieproblemen en dat hij hiervoor onlangs opnieuw onder behandeling is gesteld. Hieruit wordt onmiskenbaar duidelijk dat [slachtoffer] nog altijd last heeft van hetgeen hij heeft meegemaakt.
De verdachte heeft naar het oordeel van het hof geen, in elk geval volstrekt onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke nadelige gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] . Door zijn handelen heeft de verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] in ernstige mate aangetast en zijn (seksuele) ontwikkeling verstoord.
Persoon van de verdachte
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2021 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 26 mei 2021, dat op verzoek van de verdediging is opgemaakt, in het bijzonder om de mogelijkheid van elektronisch toezicht te doen onderzoeken. Uit dit rapport volgt onder meer dat sprake is van stabiliteit op verschillende leefgebieden: huisvesting, relatie, dagbesteding en financiën. De verdachte is geschrokken van de juridische gevolgen van zijn handelen. Uit het trajectconsult van het NIFP komen geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek - en in het bijzonder geen aanwijzingen voor een seksuele stoornis - naar voren, waardoor verder onderzoek naar de geestvermogens niet was geïndiceerd. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering acht interventies of toezicht niet nodig en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Hoewel onderzoek naar de haalbaarheid heeft uitgewezen dat elektronische controle technisch uitvoerbaar is, ziet de reclassering geen indicaties voor het adviseren hiervan, omdat elektronische monitoring vanuit reclasseringsoogpunt strekt tot risicobeheersing en gedragsbeïnvloeding en niet tot bestraffing.
Het hof heeft tot slot acht geslagen op hetgeen is aangevoerd en overgelegd door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, waaronder de omstandigheid dat de verdachte thans in behandeling is bij een psycholoog (mede wegens deze zaak) en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote gevolgen zou hebben voor zijn bedrijven.
Slotsom
Het hof komt tegen deze achtergrond tot de volgende strafoplegging.
Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de hiervoor beschreven feiten geen andere straf is gerechtvaardigd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur. Het hof is van oordeel dat het opleggen van een taakstraf met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, al dan niet met daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen recht doet aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde.
De ernst van de feiten, die met name wordt bepaald door de jonge leeftijd van [slachtoffer] , het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] en het herhaaldelijk hebben van seksuele ontmoetingen, rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur. Het hof ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie, dus ook niet voor het door de raadsvrouw bepleite huisarrest met elektronisch toezicht.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, in combinatie met een taakstraf van 150 uren, passend en geboden. Een lichtere straf doet naar het oordeel van het hof uit het oogpunt van de strafdoelen van vergelding, generale preventie en normbevestiging, geen recht aan het bewezen verklaarde.
Tot slot constateert het hof dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van, afgerond, zes maanden. Het hof zal daarom een week onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering brengen op de op te leggen straf, dus: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest in combinatie met een taakstraf van 150 uren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft tot slot verzocht rekening te houden met de zogenaamde zelfmeldprocedure.
Het hof constateert met de verdediging dat de recente wijziging van de zelfmeldprocedure tot gevolg kan hebben dat een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf wordt tenuitvoergelegd zonder dat dat tevoren wordt aangekondigd en/of de veroordeelde zich daartoe zelfstandig kan melden. De wijze waarop de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf wordt georganiseerd bevindt zich buiten de invloedssfeer van het hof, zodat het zich beperkt tot deze constatering.
Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer] , zijn vader en zijn moeder
1.
de vorderingen
De benadeelde partijen [slachtoffer] , de vader van [slachtoffer] en de moeder van de [slachtoffer] , bijgestaan door hun advocaat mr. Scheffer, hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding.
De rechtbank heeft de vordering van [slachtoffer] grotendeels toegewezen, de vordering van de vader van [slachtoffer] toegewezen ten aanzien van benzine- en schoolkosten voor [slachtoffer] en de vordering van de moeder van [slachtoffer] geheel niet toegewezen.
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de oorspronkelijke bedragen.
De vordering van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 17.000,00 voor studievertraging en € 380,00 [1] voor schoolgeld voor een gedoubleerd schooljaar (totaal € 32.380,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de vader van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade, € 500,00 voor een gemist studieblok, € 5.000,00 voor studievertraging, € 380,00 voor schoolgeld van [slachtoffer] voor een gedoubleerd schooljaar en € 130,00 aan benzinekosten (totaal € 21.010,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de moeder van [slachtoffer] bestaat uit € 15.000,00 voor immateriële schade en € 2.157,23 voor kosten van behandelingen door een psycholoog en eigen risico van de zorgverzekering (totaal
€ 17.157,23), te vermeerderen met de wettelijke rente en met het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten overvloede overweegt het hof dat door de vader en de moeder geen beroep is en kan worden gedaan op de wettelijke voorziening betreffende affectieschade, omdat die in werking is getreden na de pleegperiode van de onderhavige feiten en geen terugwerkende kracht heeft.
Deze vorderingen tot schadevergoeding zijn in de zaken van ieder van de negen verdachten die in het kader van het 13Oscoda-onderzoek in hoger beroep terecht staan gelijkluidend, zoals hiervoor weergegeven. Het hof verstaat, gelet op de toelichting, de vorderingen zo dat niet negen maal de voornoemde bedragen worden gevorderd, maar dat wordt verzocht in totaal deze bedragen toe te wijzen en deze vervolgens onder de negen verdachten te verdelen. Daarbij moet – zo begrijpt het hof de toelichting van de advocaat van [slachtoffer] in hoger beroep – mede in aanmerking worden genomen dat in de zaken van twee andere verdachten (die thans niet in hoger beroep terecht staan) de schade is afgehandeld, waardoor aan [slachtoffer] inmiddels een bedrag van € 5.600,- (exclusief rente) is betaald.
2.
standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer] , met uitzondering van het schoolgeld dat feitelijk is betaald door de vader van [slachtoffer] , zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het einde van de bewezen verklaarde periode en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering van de vader van [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,00 en dat de materiële schade geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de moeder van [slachtoffer] gevorderd dat de vordering voor de immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en dat aan materiële schade de behandelkosten zonder het eigen risico worden vergoed tot een bedrag van
€ 1.772,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ontdekking van de strafbare feiten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de verdeling van de totale schade heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat de schade moet worden verdeeld over de negen verdachten die in hoger beroep terecht staan, waarbij de breuk en vermenigvuldiging: ‘opgelegde straf gedeeld door het totaal van de in deze zaak opgelegde straffen, maal het totaal aan de benadeelde partijen toegewezen schade’ moet worden toegepast.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat wordt aangesloten bij de verdeelsleutel zoals is gehanteerd door de rechtbank.
3.
standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft laten weten dat de verdachte bereid is zijn aandeel in de schade van [slachtoffer] te vergoeding en verzocht een verdeelsleutel toe te passen zoals door de rechtbank is gedaan. Daarbij is verzocht de vordering van [slachtoffer] ten aanzien van het schoolgeld af te wijzen en dit bedrag bij de vader van [slachtoffer] toe te wijzen. Ten aanzien van de vorderingen van de vader en moeder van [slachtoffer] heeft de raadsvrouw van de verdachte voor het overige verzocht deze conform de beslissingen van de rechtbank deels af te wijzen en voor het overige niet ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw van de verdachte heeft de inhoud van deze vorderingen grotendeels betwist, een en ander zoals weergegeven in haar schriftelijke pleitnotities.
4.
oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende voorop.
Het hof ziet het leed en het verdriet dat [slachtoffer] en zijn ouders hebben naar aanleiding van wat er is gebeurd. Het hof onderkent de impact die de gebeurtenissen hebben op [slachtoffer] , en op zijn hele gezin. In deze strafrechtelijke procedure dient het hof te beoordelen of de vorderingen tot schadevergoeding juridisch voor toewijzing vatbaar zijn.
Het belang van [slachtoffer] en zijn ouders om, voor zover hun vorderingen toewijsbaar zijn, schadeloos te kunnen worden gesteld voor de schade die zij door de ten laste gelegde feiten hebben geleden, is groot. Het hof acht de vorderingen tot schadevergoeding niet zodanig complex dat daar slechts met nader onderzoek op zou kunnen worden beslist, zodat het hof de vorderingen, anders dan is bepleit, niet wegens een onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk zal verklaren.
4.1
de vordering van [slachtoffer]
Voor zover in deze 13Oscoda zaken door of namens een verdachte een beroep is gedaan op eigen schuld van de benadeelde partij, heeft het hof gelet op de ratio van de bewezen verklaarde feiten, te weten de bescherming van de minderjarige, ook tegen eventueel initiatief dat van hemzelf uitgaat. Daarom ziet het hof geen gronden om rekening te houden met een mogelijk verleidende of initiërende rol van de benadeelde partij.
Schoolgeld
Het door [slachtoffer] gevorderde schoolgeld voor het gedoubleerde schooljaar van € 380,00 wordt afgewezen, omdat dit bedrag door de vader van [slachtoffer] is betaald en derhalve in de vorm van verplaatste schade aan de vader van [slachtoffer] zal worden toegewezen.
Studievertraging
Het hof is van oordeel dat op basis van de door [slachtoffer] overgelegde stukken – waaronder een schoolbrief waaruit volgt dat [slachtoffer] het schooljaar waarin de feiten aan het licht zijn gekomen over heeft gedaan – bezien in samenhang met overige stukken in het dossier, een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de door [slachtoffer] gestelde studievertraging voldoende is komen vast te staan. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van dergelijke zedenmisdrijven in het vervolg van hun dagelijks leven voelbare schade ondervinden. Ook neemt het hof in aanmerking dat [slachtoffer] heeft verklaard dat het hoogtepunt van de seksuele afspraken in het najaar van 2016 lag, met twee tot vier afspraken per week en de feiten in januari 2017 aan het licht zijn gekomen, waarna [slachtoffer] de daaropvolgende maanden veel is verhoord door de politie. Ook is [slachtoffer] vanaf mei 2017 tien weken intern in behandeling geweest voor zijn psychische klachten, waardoor hij belangrijke schoolweken heeft gemist. De omstandigheid dat de studievertraging mogelijk mede is veroorzaakt door andere omstandigheden dan het handelen van de verdachten in dit onderzoek, doet er niet aan af dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de studievertraging in ieder geval in dusdanig relevante mate het gevolg is geweest van de voornoemde omstandigheden dat het redelijk is deze toe te rekenen aan (onder meer) de verdachte. Deze schade komt derhalve voor een hier na te bepalen deel voor rekening van de verdachte.
Wat betreft de hoogte van de schade, is door de benadeelde partij aansluiting gezocht bij het bedrag dat in redelijkheid en billijkheid is vastgesteld in de ‘Letselschade Richtlijn Studievertraging’. Het hof zal die schatting volgen en daarom de schade die [slachtoffer] heeft geleden als gevolg van studievertraging geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt.
De raadsvrouw van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft aan het tot compensatie van immateriële schade strekkende deel van de vordering ten grondslag gelegd dat [slachtoffer] ten gevolge van de ten laste gelegde feiten is gediagnosticeerd met onder meer een post traumatische stressstoornis (PTSS). Uit het rapport van de orthopedagoog en psychiater bij wie [slachtoffer] in 2017 intern in behandeling is geweest, volgt dat [slachtoffer] aan PTSS leidde en last had van een sombere stemming, nachtmerries en sterke schaamte- en schuldgevoelens waarbij hij regelmatig aangaf zichzelf te haten. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat [slachtoffer] nog altijd te kampen heeft met PTSS, nachtmerries en concentratieproblemen, en dat hij voor deze psychische klachten onlangs opnieuw in behandeling is gegaan bij een psycholoog.
Naar het oordeel van het hof is hiermee, bezien in samenhang met de overige inhoud van het dossier, voldoende gebleken dat [slachtoffer] mede als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade – in de vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek – heeft geleden tot na te melden bedrag. Daarbij neem het hof in aanmerking dat het geestelijk letsel van [slachtoffer] is toegelicht en onderbouwd, maar eveneens dat zich hier de situatie voordoet waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat een aantasting ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Het hof heeft daarbij mede gelet op de aard, de ernst en de duur van de ontucht/jeugdprostitutie. Het hof heeft ook gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het gevorderde bedrag van € 15.000,00 komt niet onredelijk voor en de vordering zal in zoverre geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Deze schade komt voor een hier na te bepalen deel voor rekening van de verdachte.
4.2
de vordering van de vader van [slachtoffer]
Immateriële schade
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van immateriële schade aan een ander dan het rechtstreekse slachtoffer plaatsvinden als door het waarnemen van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij die benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie deze benadeelde partij in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond (zogenoemde ‘shockschade’).
Hoewel niet ter discussie staat dat zowel de situatie waarin [slachtoffer] zich bevond als het moment van de ontdekking ook voor zijn ouders zeer ingrijpend is geweest, is daarmee niet gegeven dat bij hen sprake is van ‘shockschade’ als hiervoor omschreven. Op basis van hetgeen ter onderbouwing van deze schade is aangevoerd en getoetst aan voornoemde voorwaarden is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de door de rechtspraak vereiste en hiervoor omschreven “directe confrontatie”. Gelet hierop komt het hof niet toe aan de vraag of sprake is van geestelijk letsel.
Het hof zal gezien hetgeen hiervoor is overwogen de vordering tot vergoeding van de immateriële schade afwijzen.
Schoolgeld [slachtoffer] en benzinekosten
Door de vader van [slachtoffer] zijn kosten voor het schoolgeld van het gedoubleerde schooljaar van [slachtoffer] en benzinekosten voor de ritten van en naar de kliniek waar [slachtoffer] werd behandeld, de advocaat en slachtofferhulp gevorderd. Deze kosten zijn aan te merken als verplaatste schade zoals bedoeld in artikel 6:107, eerste lid onder a, BW. Dit betreffen kosten die het slachtoffer, als niet de derde maar hijzelf deze zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen en komen op die grond voor vergoeding in aanmerking. De kosten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Het hof zal deze gevorderde schade geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Deze schade komt voor een hier na te bepalen deel voor rekening van de verdachte.
Studiekosten en gemist studieblok
Door de vader van [slachtoffer] is een vergoeding voor kosten als gevolg van het niet kunnen afronden van een studieblok van zijn universitaire deeltijdstudie [deeltijdstudie] gevorderd. Ook is een vergoeding voor studievertraging van een kwart studiejaar gevorderd. Naar het oordeel van het hof komen deze onderdelen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat derden, anders dan in het kader van verplaatste schade, geen recht hebben op vergoeding van deze materiële schade. De vordering van de vader van [slachtoffer] wordt in zoverre afgewezen.
4.3
de vordering van de moeder van [slachtoffer]
Immateriële schade
Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor omtrent shockschade is overwogen.
Ook voor de door de moeder van [slachtoffer] gevorderde schade geldt dat hoewel zowel de situatie waarin [slachtoffer] zich bevond als het moment van de ontdekking ook voor zijn ouders zeer ingrijpend is geweest, daarmee niet is gegeven dat bij hen sprake is van ‘shockschade’ als hiervoor omschreven. Op basis van hetgeen ter onderbouwing van deze schade is aangevoerd is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de in de rechtspraak vereiste en hiervoor omschreven “directe confrontatie”. Gelet hierop komt het hof niet toe aan de vraag of sprake is van geestelijk letsel.
Het hof zal gezien hetgeen hiervoor is overwogen de vordering tot vergoeding van de immateriële schade afwijzen.
Behandelkosten door psycholoog
De gevorderde kosten voor de ondergane behandeling door een psycholoog komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat derden, anders dan in het kader van verplaatste schade, geen recht hebben op vergoeding van deze materiële schade. De vordering van de moeder van [slachtoffer] wordt in ook zoverre afgewezen.
4.4
de verdeling
Het hof komt tot een toewijzing van een bedrag van € 32.000,00 voor [slachtoffer] . Uit de toelichting op de vorderingen volgt dat reeds € 5.600,00 aan [slachtoffer] is vergoed door twee verdachten die thans niet in hoger beroep terecht staan. Dit bedrag zal derhalve in mindering moeten worden gebracht op het schadebedrag. Het nog te verdelen bedrag voor de schade van [slachtoffer] komt daarmee op € 26.400,00.
Ten aanzien van de vader van [slachtoffer] komt het hof tot toewijzing van een bedrag van € 510,00.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vragen gesteld welk deel van die schade aan de verdachte kan worden toegerekend en of, en zo ja hoe, de schade over de andere thans in hoger beroep door het hof veroordeelde verdachten kan worden verdeeld.
Voor zover de thans nog in hoger beroep terecht staande verdachten worden veroordeeld voor de hen ten laste gelegde feiten, kan worden aangenomen dat die feiten, verspreid over 2,5 jaren, ieder afzonderlijk en in meerdere of mindere mate hebben bijgedragen aan de schade van [slachtoffer] (en de verplaatste schade van de vader van [slachtoffer] ). De feiten hebben alle additioneel aan de schade bijgedragen, zodat niet kan worden gezegd dat de feiten los van elkaar tot dezelfde schade hebben geleid. Het voorgaande brengt mee dat het hof aanleiding ziet om iedere veroordeelde aansprakelijk te stellen voor het deel van de schade dat redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.
Om tot een redelijke en billijke verdeling van de vastgestelde schade te komen die zoveel mogelijk recht doet aan het aan iedere verdachte afzonderlijk te maken verwijt, zal het hof aansluiting zoeken bij de door het hof opgelegde straf voor de ontucht/jeugdprostitutie, vóór eventuele vermindering als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij hanteert het hof de volgende verdeelsleutel:
aan de verdachte opgelegde straf voor de ontucht/jeugdprostitutie,
gedeeld door
de totaal opgelegde straffen voor de ontucht/jeugdprostitutie in alle thans voorliggende zaken in dagen gerekend,
maal
het totale schadebedrag (van [slachtoffer] dan wel de vader van [slachtoffer] )
=
het toe te rekenen schadebedrag.
In dit verband heeft het hof ervoor gekozen aan eventueel voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen geen waarde toe te kennen en aan eventueel opgelegde taakstraffen wèl. Door uit te gaan van de ratio:
1 dag gevangenisstraf staat gelijk aan 2 uren taakstraf, komt het hof tot een optelsom van dagequivalenten per verdachte, in verhouding tot die som voor de andere verdachten.
Bij de verdachte leidt dit tot een totaal van 103 dagen/dagequivalenten, ten opzichte van het totaal van 1566.
De toepassing van deze verdeling op deze verdachte, brengt het hof op een bedrag van € 1.742,40 (bestaande uit € 925,65 aan materiële schade en € 816,75 aan immateriële schade) aan te vergoeden schade aan [slachtoffer] en een bedrag van € 33,66 aan te vergoeden schade aan de vader van [slachtoffer] .
Het hof zal ten behoeve van [slachtoffer] en van zijn vader schadevergoedingsmaatregelen opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 248b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Vordering van [slachtoffer] als benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.742,40 (duizend zevenhonderdtweeënveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 925,65 (negenhonderdvijfentwintig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 816,75 (achthonderdzestien euro en vijfenzeventig cent) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.742,40 (duizend zevenhonderdtweeënveertig euro en veertig cent) bestaande uit € 925,65 (negenhonderdvijfentwintig euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 816,75 (achthonderdzestien euro en vijfenzeventig cent) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juli 2021 en van de immateriële schade op 30 november 2016.
Vordering van de vader van [slachtoffer] als benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij vader van [slachtoffer] ter zake van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 33,66 (drieëndertig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 33,66 (drieëndertig euro en zesenzestig cent) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd vader van [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 33,66 (drieëndertig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 33,66 (drieëndertig euro en zesenzestig cent) materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 september 2019.
Vordering van de moeder van [slachtoffer] als benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij moeder van [slachtoffer] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. R.D. van Heffen en mr. V.M.A. Sinnige, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2021.

Voetnoten

1.Het hof constateert dat in de oorspronkelijke vordering zoals ingediend in eerste aanleg € 380,00 aan schoolgeld is opgenomen, maar dat in hoger beroep € 615,00 is gevorderd. Omdat in hoger beroep de vordering niet kan worden verhoogd, gaat het hof, ook bij de vordering van de vader van [slachtoffer] , uit van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 380,00.