ECLI:NL:GHAMS:2021:212
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie en toedeling echtelijke woning na echtscheiding
Partijen zijn in 2002 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in 2019 gescheiden. De vrouw vorderde partneralimentatie en toedeling van de voormalige echtelijke woning, terwijl de man dit betwistte en tevens stelde dat de vrouw niet behoeftig zou zijn vanwege een samenlevingsrelatie met een ander.
Het hof oordeelde dat artikel 1:160 BW Pro niet van toepassing was omdat de vermeende samenwoning met een ander plaatsvond voordat de echtscheiding was ingeschreven. De man had onvoldoende onderbouwd dat hij niet tot onderhoud verplicht was. De vrouw is arbeidsongeschikt en heeft een WIA-uitkering, waardoor haar behoefte aan partneralimentatie gerechtvaardigd is. Het vermogen van de vrouw werd buiten beschouwing gelaten vanwege onduidelijkheid over de waarde van haar woningen.
De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn inkomen en lasten, rekening houdend met de bijdrage van zijn partner. De jusvergelijking leidde tot een partneralimentatie van €2.247 bruto per maand, iets lager dan de rechtbank had vastgesteld. Het hof oordeelde dat de vrouw geen terugbetalingsverplichting heeft voor teveel betaalde alimentatie vanwege haar financiële situatie.
Ten aanzien van de woning oordeelde het hof dat het belang van de man bij toedeling zwaarder weegt dan dat van de vrouw, mede omdat zij de woning in 2015 had verlaten en sindsdien elders woont. De toedeling aan de vrouw werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof stelt de partneralimentatie vast op €2.247 bruto per maand en wijst het verzoek tot toedeling van de woning aan de vrouw af.