Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade geleden door verzekering en voorlopige hechtenis, inkomstenderving en kosten rechtsbijstand. Het hof heeft vastgesteld dat verzoekster op 3 oktober 2018 in verzekering is gesteld en op 5 oktober 2018 voorlopige hechtenis is bevolen, waarna zij op 16 oktober 2018 in vrijheid werd gesteld.
Het hof erkent gronden van billijkheid voor vergoeding van de verzekering en voorlopige hechtenis tot €1.820,00 en voor kosten rechtsbijstand tot €680,00. Ten aanzien van inkomstenderving is vastgesteld dat verzoekster van 3 tot en met 16 oktober 2018 niet heeft kunnen werken, wat resulteert in een netto vergoeding van €764,00.
Verzoekster kon niet aantonen dat het beëindigen van haar dienstverband louter het gevolg was van het voorarrest, mede omdat zij na haar vrijlating geen contact opnam met haar werkgever. Ook de terugvordering van opleidingskosten is niet onderbouwd. Het hof wijst daarom deze vorderingen af en kent in totaal een vergoeding toe van €3.264,00.
De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 20 juli 2021, waarbij de tenuitvoerlegging is bevolen.