Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
In het gesprek van 5 november 2019 heb ik het volgende medegedeeld:
Gerechtshof Amsterdam
De bank had hypothecaire geldleningen verstrekt aan de cliënt en zijn ex-echtgenote. Na betalingsachterstanden zegde de bank de financiering op en liet zij het woonhuis executoriaal veilen. De rechtbank oordeelde dat de opzegging en veiling niet rechtsgeldig waren en kende schadevergoeding toe aan de cliënt.
In hoger beroep stelde de bank dat de vordering tot schadevergoeding was verjaard en dat de ingebrekestelling was vervuld. Het hof oordeelde dat de vordering niet verjaard was vanwege stuiting door een brief van de cliënt in 2013 en dat aan de eis van ingebrekestelling was voldaan door de bank.
Het hof vond de opzegging niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, omdat de bank de cliënt ruim zeven maanden gelegenheid had gegeven de achterstand in te lopen en de zorgplicht had nageleefd. De veiling was rechtmatig en de bank mocht het recht van parate executie uitoefenen.
De toerekening van een betaling van € 200.000 door de cliënt aan de lening voor het woonhuis was niet onredelijk of onzorgvuldig. De bank werd veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde boeterente, maar de overige vorderingen van de cliënt werden afgewezen. De bank kreeg tevens een deel van de proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis, verklaart de opzegging rechtsgeldig en veroordeelt de bank tot terugbetaling van onverschuldigde boeterente, terwijl overige vorderingen worden afgewezen.