Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
[geïntimeerde sub 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grieven 1 tot en met 3 in incidenteel appelop. Het hof zal bij de beoordeling van het hoger beroep met het ter zake door de vliegers gestelde rekening houden. Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt.
3.Beoordeling
grief 8 in incidenteel hoger beroepte bespreken, voor zover die grief is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van het door de vliegers gedane beroep op misbruik van omstandigheden als bedoeld in art. 3:44 lid 4 BW Pro.
om de B767-divisie te laten inkrimpen. Ik accepteer deze aanwijzing en de hiermee gepaard gaande opleiding voor de B787 onvoorwaardelijk. Er zal conform cao geen bindingstermijn gelden in deze situatie.
grief 7 in incidenteel hoger beroepkomen de vliegers op tegen de verwerping door de kantonrechter (in overweging 4.10 van het tussenvonnis) van hun verweer dat zij (ieder) de opleidingsovereenkomst op grond van art. 3:50 BW Pro buitengerechtelijk hebben vernietigd. De grief is gegrond, omdat de vliegers in hoger beroep onweersproken hebben gesteld dat deze vernietiging (op grond van misbruik van omstandigheden en dwaling) heeft plaatsgevonden in een confraternele brief van 27 november 2017. Overigens heeft TUI (ook) het in de toelichting op de grief opgenomen citaat uit die brief, waaruit de juistheid van het door de vliegers te dezen gestelde blijkt, niet betwist.
grieven 4 tot en met 6, 9 tot en met 14, 16, 18 en 19 in incidenteel hoger beroep. Of ten aanzien van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in gelijke zin moet worden beslist en of zij bij een bespreking van deze grieven (wel) voldoende belang hebben, zal in een volgend arrest worden beslist.
rechtensgeen belang heeft bij een behandeling van haar grieven in het principaal hoger beroep. Ten aanzien van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal dat evenmin het geval zijn, indien ook hun beroep op misbruik van omstandigheden (of een ander bevrijdend verweer) slaagt. Echter, voor zover desondanks zou moeten worden aangenomen dat TUI daarbij een voldoende
feitelijkbelang heeft, zal het hof – in dat geval – in het eindarrest ingaan op de
grieven 2 tot en met 5 in principaal hoger beroep. Deze grieven zijn gericht tegen het door de kantonrechter in overweging 4.19 van het bestreden tussenvonnis neergelegde oordeel – en de gronden waarop dat oordeel berust – dat de vordering van TUI tot terugbetaling van de opleidingskosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en in strijd met goed werkgeverschap is, indien en voor zover TUI niet inzichtelijk kan maken dat de ten behoeve van de vliegers gemaakte opleidingskosten in (kennelijk: redelijke) verhouding staan tot het gefixeerde bedrag van € 50.000,00.