ECLI:NL:GHAMS:2021:2872

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2021
Publicatiedatum
6 oktober 2021
Zaaknummer
23-002757-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 VerblijfsrichtlijnArt. 2 VerblijfsrichtlijnArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 197 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ongewenst verblijf ondanks eerdere ongewenstverklaring op grond van EU-recht

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde feit van ongewenst verblijf. De verdachte, een Poolse EU-burger, was op 11 november 2020 ongewenst verklaard door de Minister voor Immigratie en Asiel op basis van de Vreemdelingenwet 2000.

Het hof onderzocht of deze ongewenstverklaring op die datum nog in overeenstemming was met artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn, die vereist dat maatregelen uitsluitend gebaseerd mogen zijn op gedrag dat een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het hof concludeerde, mede op advies van de advocaat-generaal, dat dit niet het geval was.

De eerdere gedragingen die tot de ongewenstverklaring leidden, waren te ver in het verleden gelegen en de justitiële documentatie bevatte geen aanwijzingen dat verdachte op het moment van het tenlastegelegde feit nog een bedreiging vormde. Daarom kon niet worden bewezen dat verdachte onrechtmatig verbleef, en werd hij vrijgesproken.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 23 september 2021.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002757-20
datum uitspraak: 23 september 2021
Tegenspraak (verdachte verschenen op eerdere zitting, niet gemachtigd raadsvrouw verschenen op 9 september 2021)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 november 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 13-286483-20 en 13-083207-20 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1981,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 november 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde, omdat niet vastgesteld kan worden dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft de Poolse nationaliteit. Daarom is hij een burger van de Europese Unie in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EU van het Europees Parlement en de Raad van
29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Verblijfsrichtlijn). Bij beschikking van 14 november 2011, uitgereikt op 18 november 2011, heeft de Minister voor Immigratie en Asiel de verdachte ongewenst verklaard.
Artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn is een rechtstreeks werkende bepaling van het Unierecht. In deze bepaling staat dat de om redenen van openbare orde genomen maatregelen (in dit geval: de ongewenstverklaring) uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het gedrag van de betrokkene. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen.
Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag een bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving niet automatisch worden vastgesteld op basis van een eerdere strafrechtelijke veroordeling voor specifieke strafbare feiten. De omstandigheden die tot die veroordeling hebben geleid, kunnen wel in aanmerking worden genomen om een dergelijke vaststelling te rechtvaardigen, voor zover na een onderzoek van het individuele geval blijkt dat er sprake is van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Vast staat dat de het besluit tot ongewenstverklaring op de tenlastegelegde datum, 11 november 2020, nog niet was ingetrokken. Het hof dient te onderzoeken of de ongewenstverklaring op dat moment nog immer in overeenstemming was met art. 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn.
Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat dit niet het geval was, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte
ten tijde van het tenlastegelegdenog immer een
actuele, werkelijke en
voldoende ernstige bedreigingvoor een
fundamenteel belangvan de samenleving vormde. De feiten en omstandigheden die zijn opgesomd in de beschikking tot ongewenstverklaring van 14 november 2011 kunnen, gelet op het tijdsverloop, niet het oordeel dragen dat de verdachte op 11 november 2020 nog steeds een bedreiging in de zin van art. 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn vormde. De inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 27 augustus 2021 vormt evenmin geen grond voor dit oordeel nu de daarop vermelde (onherroepelijke) veroordelingen voor overtredingen en (vermogens)delicten hiervoor onvoldoende zwaarwegend zijn. Het dossier bevat verder geen andere informatie over de persoon en het gedrag van de verdachte waaruit kan volgen dat hij op 11 november 2020 een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormde.
Gelet op het voorgaande kan niet bewezen worden geacht dat de verdachte op de tenlastegelegde datum “op grond van een wettelijk voorschrift” ongewenst was verklaard, zodat de verdachte van het tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. V. Mul en mr. R. Oude Breuil, in tegenwoordigheid van mr. L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2021.
mr. R. Oude Breuil is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]