ECLI:NL:GHAMS:2021:2903
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en ontzegging omgang minderjarige
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank waarin haar verzoek om eenhoofdig gezag over haar dochter [kind 1] en ontzegging van het omgangsrecht van de vader werd afgewezen. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over [kind 1] en haar zusje. De kinderen verblijven bij de moeder.
De moeder stelt dat het gezamenlijk gezag niet langer houdbaar is vanwege een verstoorde verstandhouding en loyaliteitsconflicten bij [kind 1]. Zij wijst op incidenten zoals het weigeren van de vader om toestemming te geven voor schoolinschrijving en het gebrek aan contact tussen vader en dochter. De vader heeft zich neerlegd bij het eenhoofdig gezag, maar benadrukt zijn betrokkenheid.
De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren het gezamenlijk gezag te handhaven en het hulpverleningstraject voort te zetten. Het hof overweegt dat het ontbreken van goede communicatie niet automatisch leidt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag. Het hulpverleningstraject verdient een kans en er is onvoldoende bewijs dat het kind klem of verloren raakt.
Ten aanzien van het omgangsrecht oordeelt het hof dat ontzegging niet aan de orde is. Het contact tussen vader en dochter dient onder begeleiding van de GI te worden hersteld, met als doel binnen één jaar een contactmoment via beeldbellen te realiseren. De beschikking van de rechtbank wordt op dit punt vernietigd en opnieuw bepaald.
Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat het gezamenlijk gezag blijft bestaan en wijst het overige verzoek af.
Uitkomst: Verzoek om eenhoofdig gezag en ontzegging omgang afgewezen; contactherstel onder begeleiding GI binnen één jaar.