In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland vernietigd en verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde seksueel misbruik op 16/17 mei 2016 te Ursem. De tenlastelegging betrof het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, waarvan verdachte wist dat zij in een toestand van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde.
Het hof heeft het bewijs zorgvuldig gewogen, waaronder de verklaringen van het slachtoffer, de verdachte en getuigen, alsmede het DNA-onderzoek dat bevestigde dat er seksuele gemeenschap heeft plaatsgevonden. Echter heeft het hof geoordeeld dat niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat het slachtoffer zich in een toestand van verminderd bewustzijn bevond die haar wilsonbekwaam maakte.
De verklaringen van het slachtoffer over haar vermeende gedrogeerd zijn konden niet worden ondersteund door objectief bewijs, zoals toxicologisch onderzoek, noch door getuigenverklaringen. De verdachte ontkende bewust seks te hebben gehad en verklaarde zich het tijdsbestek in de garage niet te kunnen herinneren. Gezien deze omstandigheden kon het hof het ten laste gelegde feit niet bewezen verklaren.
Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden. Het hof gelastte de teruggave van in beslag genomen persoonlijke eigendommen aan het slachtoffer en compenseerde de proceskosten tussen partijen.
Deze uitspraak onderstreept het belang van een hoge bewijslast bij strafzaken waarin verminderd bewustzijn en toestemming centraal staan.