In deze zaak stond de vraag centraal of een arbitraal vonnis dat niet door alle arbiters was ondertekend, kan worden hersteld via de remission procedure ex artikel 1065a Rv. Het hof overwoog dat deze procedure juist is bedoeld om rechterlijke inmenging te beperken en het primaat van het scheidsgerecht te waarborgen.
Het scheidsgerecht had het vonnis aangevuld met de ontbrekende handtekeningen in plaats van een geheel nieuwe uitspraak te doen. Dit voldeed volgens het hof aan de wettelijke eisen. Daarnaast faalden de stellingen van eiseres dat sprake was van schending van het hoor en wederhoor, aangezien partijen vooraf gelegenheid hadden zich uit te laten.
Het hof concludeerde dat alle vernietigingsgronden falen en wees de vorderingen af. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee bevestigde het hof dat herstel van een ondertekeningsgebrek via aanvulling van het arbitraal vonnis binnen de remission procedure mogelijk is.