ECLI:NL:GHAMS:2021:3142
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over dwangsom bij niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-waardebeschikking
Belanghebbende verzocht om een WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2015, relevant voor de berekening van de afkoopsom in de erfpacht-overstapregeling. De heffingsambtenaar weigerde dit verzoek en verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de Wet WOZ slechts één waardebeschikking per jaar toestaat.
Belanghebbende stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar en vroeg een dwangsom toe te kennen. De heffingsambtenaar wees dit af en verklaarde het bezwaar tegen de dwangsombeschikking kennelijk ongegrond. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof oordeelt dat het bezwaar tegen de dwangsombeschikking kennelijk niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
Het Hof bevestigt dat de weigering van het verzoek geen voor bezwaar vatbare beschikking is en dat het bezwaar tegen de dwangsombeschikking daarmee ook niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd, en belanghebbende krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.
De procedure speelde mede vanwege een formele vergissing van de heffingsambtenaar en het geschil betreft uitsluitend de dwangsombeschikking. Het Hof wijst het recht op een tweede waardebeschikking af en bevestigt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in dit kader.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraken worden vernietigd en het bezwaar tegen de dwangsombeschikking wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.