ECLI:NL:GHAMS:2021:3144
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na hoger beroep tegen te hoge waardering
Belanghebbende, huurder van een woning in een voormalig kantoorgebouw, betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van € 82.500 en vorderde verlaging tot € 60.000. De heffingsambtenaar had de waarde reeds verlaagd tot € 60.000 na bezwaar, maar de rechtbank stelde de waarde uiteindelijk vast op € 61.500.
[A B.V.], eigenaar van het pand, trad als derde-belanghebbende op en ondersteunde de hogere waardering. Het Hof stelde vast dat de eigenaar terecht als derde-belanghebbende was toegelaten en dat geen sprake was van schending van het verbod op reformatio in peius.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, mede op basis van vergelijkingsobjecten met verkoopprijzen gecorrigeerd voor erfpacht en prijspeil. De stellingen van belanghebbende over oppervlakte en gebreken waren onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.