Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief 1reeds daarom faalt.
grief 2tevergeefs is voorgesteld.
grief 3moet worden verworpen.
grief 4kan dus niet slagen.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat een vordering tot ontruiming van een woonboot centraal. Geïntimeerde is sinds 2012 eigenaar van de woonboot, die hij kocht van een overledene die aan appellante een levenslang recht van gebruik en bewoning had verstrekt. Na het overlijden van de eigenaar in 2020 ontstond onenigheid over het recht van appellante om de woonboot te blijven bewonen.
De voorzieningenrechter veroordeelde appellante tot ontruiming, waarbij het hof het vonnis bekrachtigt. Appellante voerde onder meer aan dat de koopovereenkomst vernietigbaar is wegens misbruik van omstandigheden of dwaling, en dat zij geen andere huurwoning heeft. Het hof oordeelde dat onvoldoende concrete feiten zijn gesteld om het wilsgebrek aannemelijk te maken en dat appellante wel degelijk over een eigen huurwoning beschikt.
Het hof overweegt verder dat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is indien aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen en er een spoedeisend belang is. Dit is hier het geval, omdat geïntimeerde kosten maakt en geen vergoeding ontvangt zolang appellante zonder recht de woonboot bewoont.
De gewijzigde eis van appellante in hoger beroep wordt niet ontvankelijk verklaard omdat deze niet in eerste aanleg is ingesteld. Uiteindelijk wordt appellante veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Amsterdam op 19 oktober 2021.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt appellante tot ontruiming van de woonboot en betaling van proceskosten.