Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
“waarbij de kantonrechter opmerkt dat van [geïntimeerde] onder de geschetste omstandigheden gevergd kan worden met een lager salaris genoegen te nemen”. Dit heeft Lime ertoe bewogen om zowel over de periode van 1 december 2020 tot en met februari 2021 als over de maanden vanaf maart 2021 totdat in hoger beroep in deze zaak zal zijn beslist aan [geïntimeerde] , naast het bedrag van € 635,= bruto per maand dat wel expliciet in het dictum wordt genoemd, aan salaris een bedrag van € 5.000,= bruto per maand (zijnde € 60.000,= : 12) te betalen en dus niet zijn ‘oude’ salaris van
het volledige loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd”, kan naar het voorlopig oordeel van het hof redelijkerwijs niets anders worden afgeleid dan dat Lime aan [geïntimeerde] dient te betalen het salaris dat hij voor de opzegging bij Lime verdiende. Dat salaris bedroeg laatstelijk € 8.154,17 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Ook uit overweging 23 van de bestreden beschikking, waaraan Lime refereert, volgt niet dat Lime de veroordeling tot loondoorbetaling zou mogen beperken tot € 5.000,= + € 635,= bruto per maand. De opmerking daarin dat van [geïntimeerde] onder de geschetste omstandigheden gevergd kan worden met een lager salaris genoegen te nemen, is door de kantonrechter enkel gemaakt in het kader van de beoordeling of de (destijds) vacante functies passend zijn en of Lime (dus) heeft voldaan aan het herplaatsingsvereiste.
kennelijkemisslag berust. De enkele verwijzing door Lime naar de onderbouwing van haar bezwaren tegen die beschikking in grieven I tot en met III leidt niet tot het oordeel dat dit het geval is.